Sign In

U bent nu hier: Home - Nederlands - Netwerken - Beroepsethiekinpraktijk - Syllabus

NETWERKEN

Onder de vlag van KLV bestaan er diverse studiekringen en netwerken. Zij opereren zelfstandig en hebben hun eigen websites. De inhoud van deze sites verwoordt niet noodzakelijkerwijs de mening van KLV. Als KLV lid krijg je in de meeste gevallen korting op de contributie.

Syllabus Ethiek

Casussen met ethische reflectie verschenen in LT Journaal bijeengebracht door de commissie Ethiek van KLV

Inleiding 
Het doel van de commissie Ethiek is de gevoeligheid van de Wageningse ingenieur voor ethiek in het (beroeps)veld te verhogen.
Een Wageninger moet kunnen en willen nadenken over dilemma’s die hij/zij in het veld tegenkomt. Daartoe moeten vaardigheden om ethische dilemma’s te herkennen en te erkennen ontwikkeld worden, of verfijnd worden. Opdat lastige situaties in de beroepspraktijk waarbij meer in het geding is dan economische en technische zaken, gehanteerd en opgelost kunnen worden.
Deze syllabus is de weerslag van alle publicaties in lt-journaal in 1998. Aangevuld met twee artikelen uit het Wagenings Alumniblad.

Een achttal Wageningers schreven op verzoek van de cie ethiek zes casussen, waarin dilemma’s uit de beroepspraktijk verwoord werden. Simon Vink, toentertijd hoofdredacteur van het tijdschrift interviewde een panel van zeven mensen uit het veld, om hun mening te vragen over al deze aan hen voorgelegde casussen. Gedurende het gehele jaar werd op deze manier veel aandacht besteed aan ethiek. Niet alleen door de casussen met de reacties van de panelleden, maar ook door publicatie van ingezonden brieven van geïnteresseerde en reagerende lezers, van discussies en beschouwingen. Zo werd ethiek heel gewoon...

Omdat de commissie Ethiek van KLV vindt dat er in het onderwijs aan Wageningen Universiteit veel meer sprake moet zijn van een geïntegreerde ethische aanpak, wil ze haar bijdrage aan ProbleemGestuurd Onderwijs leveren door de gepubliceerde stukken in lt-journaal van 1998 te bundelen. Opdat deze syllabus veel gebruikt zal worden door studenten aan de Universiteit Wageningen. En zij mede hierdoor goed geprepareerd hun beroep kunnen uitoefenen en mogelijke dilemma’s weten te hanteren.

Augustus 1999

Commissie Ethiek KLV:

  • ir.Henk van ‘t Klooster
  • ir.Abbo de Wit
  • ir.Katrien de Vos (voorzitter)

De Leidraad bij het beroepsmatig handelen van landbouwkundigen is te vinden op www.klv.nl/ethiek/

Lidmaatschap van KLV is open voor studenten en afgestudeerden van Wageningen Universiteit en voor alle anderen die actief zijn op het gebied van landbouw, voeding, natuur en milieu.

Ethische dilemma’s in LT Journaal 
‘Je moet ethiek niet afdoen als louter gevoel’

LTJournaal nr 5 02-04-1998
Varkens als leverancier van transplantatieorganen voor mensen. Mag dat, kan dat? Leden van KLV worden in de dagelijkse praktijk van hun werk geconfronteerd met afwegingen waarvan de uitkomsten grote invloed hebben op maatschappelijke ontwikkelingen, op het al dan niet beschikbaar krijgen van voedsel of het al dan niet vervuilen van het milieu. In mei begint LT Journaal, samen met de commissie Ethiek van KLV, een serie over ethische dilemma's.

Bedrijfskundige Wim Hanssen en filosoof Bart Gremmen gingen op 26 maart in debat met elkaar in de Leeuwenborch tijdens een aflevering uit de serie 'Ethiekonderwijs op locatie'. De serie 'toert' langs diverse universiteitsgebouwen in Wageningen met debatten op 22 april, 4 en 25 juni. De organisatie is in handen van het Van Mansveltinstituut en de vakgroep Toegepaste Filosofie van de Landbouwuniversiteit. De serie is onderdeel van het heroriëntatieproject van het ministerie van LNV 'Naar een nieuw professionalisme van de landbouwkundige'. Doel is de integratie van ethiek- en vakonderwijs. (A.B.)

In Azië worden jonge hondjes op de levensmiddelenmarkt aangeboden, een delicatesse. In Nederland rijden dierenambulances rond om jonggeboren hondjes met hartkwalen naar het dierenziekenhuis te vervoeren. Wat is het meest ethisch? In sommige Aziatische landen zijn dierlijke eiwitten schaars en is een evenwichtig voedselpakket moeilijk te verkrijgen. Is het dan erg als de makkelijk te fokken honden worden verorberd? Hoe bizar is het om dierenambulances in bedrijf te houden terwijl daklozen elementaire zorg ontberen? Of is dat een teken van hoge beschaving?

Wageningse ingenieurs komen in de praktijk van hun werk ingewikkelde problemen tegen en moeten ethische afwegingen maken. Helping people to acquire safe food in a vital world, schreef de raad van bestuur van Kenniscentrum Wageningen op de titelpagina van zijn strategisch plan. Het motto van KCW wordt nader toegelicht in de missie. 'KCW richt zich op het verantwoord tot stand komen en verdelen van voldoende en hoogwaardige agrarische producten; het met zorg beheren van bodem, water en lucht; en het in harmonie benutten van de verschillende functies van de groene ruimte.' Naast tal van andere initiatieven om dat te bereiken wordt ondermeer gesteld dat in het onderwijs het maatschappelijk/ethische en beschouwelijke opleidingsdomein moet worden versterkt.

Beroepscode
De Wageninger krijgt dus tijdens de opleiding een ethisch instrumentarium aangereikt om in de echte wereld te hanteren. KLV, de beroepsvereniging van Wageningse ingenieurs, wil op die weg voort. Al enige jaren onderzoekt de commissie Ethiek mogelijkheden om de ingenieur een leidraad mee te geven, een soort beroepscode. Wageningers moeten zich onderscheiden door maatschappelijk en ethisch verantwoord gedrag in de beroepspraktijk.

De vraag is natuurlijk wat ethisch handelen en reflecteren behelst. Helaas is de indeling niet eenvoudig zwart of wit met niets ertussen; het aantal grijstinten is oneindig. In de komende nummers van LT Journaal zullen die grijstinten worden bestudeerd aan de hand van zes praktische problemen waarmee de ingenieur in de praktijk te maken kan krijgen. Een panel zal zijn oordeel geven over de problemen. Eén daarvan is het vermeende verlies aan biodiversiteit door de opkomst van de veel melk producerende veestapel, waardoor de typische Hollandse blaarkop het veld moest ruimen. Erg, zorgelijk of geen probleem? Een andere casus belicht het probleem van allergenen in levensmiddelen: moet je ten behoeve van de allergische consument die slechts drie procent van de potentiële klantenpopulatie uitmaakt een dure ingreep in de productie plegen om alle allergenen te verwijderen?

Praktische casussen, dus. Misschien zijn ze wel zo praktisch dat geen ethische afweging mogelijk is. Als je niks met blaarkoppen hebt, waarom zou het dan van belang zijn dat ze in het landschap overleven? Is het normen-en-waardenstelsel van de moderne westerse samenleving niet zodanig gediversifieerd dat een ethische discussie een debat tussen doven is geworden? Een debat tussen deelnemers die voor elkaar onbegrijpelijke taal uitslaan?

Welzijnsparagrafen
Panellid ir Edith Lammerts van Bueren, werkzaam bij het Louis Bolk Instituut, denkt van niet. ,,Je moet ethiek niet afdoen als louter gevoel, als een set emoties. Ethiek is niet alleen subjectief. Ethiek gaat om een grondhouding, een manier van denken, die onder woorden is te brengen. Je kunt er dus met elkaar over in dialoog treden. Van belang daarbij is dat de deelnemers aan zo'n debat hun individuele belangen ontstijgen.'' Lammerts van Bueren noemt dit de pre-politieke fase, die niet moet ontaarden in een welles-nietes, maar moet leiden tot een vruchtbare discussie over uitgangspunten.

Een algemene normstelling, een algemene ethiek is dus in haar ogen bereikbaar. Zo refereert ze aan het opnemen van welzijnsparagrafen in landbouwwetten. ,,Bij nieuwe begrippen als integriteit van een dier of organisme zul je wel tijd nodig hebben om tot een consensus te komen.''

De Wageningse diermorfoloog prof. dr Jan Osse gaat bij het beoordelen van ontwikkelingen uit van ,,de opdracht het andere en de andere als je naaste te beschouwen. Daar moet je voor zorgen. Dat is een christelijk gedachtegoed. Ik ga dus uit van een christelijke motivering, zonder dat ik raadpleeg wat Simonis daarover te zeggen heeft. Ik weet dat niet en het interesseert met ook niet zo verschrikkelijk.'' Daarnaast hanteert de zoöloog een natuurwetenschappelijke denkwijze: nagaan welke voors en tegens er zijn rond een bepaalde hypothese en dan bepalen of het idee verworpen of aanvaard moet worden.

Dédain
Prof. dr Marjan Margadant, bijzonder hoogleraar Natuur- en milieu-educatie aan de Landbouwuniversiteit, zal voortdurend aandacht vragen voor het 'hoe-vertel-ik-het-de-burger'. ,,Uit onderzoek blijkt hoe weinig mensen weten van natuur en milieu. De meest voorkomende reactie is die van dédain en weinig respect. Ik draai dat graag om. Natuurlijk zijn burgers niet met opzet milieuvervuilend of onkundig. Om iets ethisch of esthetisch te kunnen waarderen moet je kennis hebben; meer weten is meer zien.''

Daarnaast zal zij de aangedragen casussen ook beoordelen vanuit de intrinsieke waarde van andere organismen en ook landschappen. Ze onderkent dat aan het toekennen en onderkennen van intrinsieke waarden een antropocentrisch element zit.

Panellid drs Herma van Veen werkt voor de Dierenbescherming. Haar uitgangspunt is helder: ,,Je mag dieren niet alleen instrumenteel benutten; je mag en kan er niet zomaar alles mee doen. Natuurlijk leven we in een cultuur die het acceptabel vindt dieren te consumeren, maar ik zie het als mijn taak om gegevens aan te dragen voor en te discussiëren over een ombuiging van die cultuur, zodat ook welzijn van en respect voor dieren aandacht krijgt.''

Ir Rob Tazelaar van de Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren zegt dat hij maatschappelijk ontwikkelingen beoordeelt vanuit het gedachtengoed van de sociaal-democratie, dat uitgaat van een rechtvaardige verdeling van macht en middelen. Daarbij acht hij het onontkoombaar om goed zicht te houden op de politieke en maatschappelijke realiteit. In zijn sector zijn honderdduizenden mensen werkzaam. De belangen van die mensen raken nog wel eens ondergesneeuwd in discussies over bijvoorbeeld het omgaan met dieren. ,,Ik vraag dus niet alleen aandacht voor de ethiek met betrekking tot dieren, maar ook voor ethisch besef in het omgaan met die mensen, werknemers en ondernemers.''

Simon Vink

De panelleden mr drs Jan Staman van het ministerie van Landbouw en prof. dr Egbert Schroten van het Centrum voor Bio-ethiek waren bij het ter perse gaan van dit nummer niet bereikbaar.

De serie met praktische vraagstukken begint in LT Journaal 7. Uiteraard zijn reacties van lezers welkom.

 De zes casussen:

  • Klonen en biodiversiteit,
  • Het fokken van primaten,
  • Water en grondgebruik,
  • Herbicidenrestitentie,
  • Gezondheid en levensmiddelentechnologie,
  • Consument en productiewijze.

De blaarkop verdwijnt 

LTJournaal nr 7 14-05-1998
De Stelling
Op Nederlandse schilderijen uit de Gouden Eeuw prijken vaak koeien. De helft van de daarop weergegeven dieren behoort tot het zogenaamde Blaarkopras. Dit is een zogenaamde dubbeldoelkoe, geschikt voor zowel melk- als vleesproductie.

Nog in 1950 was vijf procent van de veestapel blaarkop; in 1980 was dat teruggelopen tot één procent. Ook het aantal eerste inseminaties met sperma van blaarkopstieren is enorm gedaald: van elfduizend in 1983 tot drieduizend in 1992.

Een voor het Nederlands landschap kenmerkend en uniek ras lijkt ten prooi te vallen aan de vergetelheid. Bovendien, althans dat menen sommigen, verdwijnen daarmee unieke genetische kenmerken.

Anderen betogen dat de genetische diversiteit niet is afgenomen, hoewel er op het oog een uniforme Holstein-Friesian-dominantie is.

Met de opkomst van kloneringstechnieken bestaat de vrees dat kortetermijndoelen zullen prevaleren en dat de in gang gezette uniformering grote 'genetische' risico's in zich draagt. Fokkerijdeskundigen wijzen er echter op dat kloneren slechts een klein onderdeel zal kunnen zijn van de fokkerij- en vermeerderingstechnieken en dat de erfelijke variatie in de fokveepopulatie gewoon gehandhaafd blijft.

De kern van deze zaak is aangeleverd door prof. dr Pim Brascamp en dr ir Imke de Boer.

De commissie ethiek van KLV heeft een leidraad ethisch handelen opgesteld, waarnaar afgestudeerden van de Landbouwuniversiteit zich in hun beroepspraktijk kunnen voegen. Wat kan zo'n leidraad voor de praktijk betekenen? De redactie van LT journaal legt de komende nummers een aantal kwesties uit de praktijk voor aan een breed panel. Zij geven, onafhankelijk van elkaar hun mening. Verschillende meningen, dat wordt bij de eerste casus al duidelijk. Uiteraard staat het de lezers vrij om zich in het debat te mengen.

Het panel dat wordt geraadpleegd bestaat uit: prof. dr J. Osse, prof. dr E. Schroten, ir R.J. Tazelaar, drs H. van Veen, ir E. Lammerts van Bueren, prof. dr M. Margadant, mr drs J. Staman.

U vindt hun bijdragen onder de afzonderlijke kopjes op deze pagina. Nog niet iedereen heeft aan de eerste casus kunnen bijdragen.

Familieteelt
Nog in 1950 was niet alleen vijf procent van de koeien blaarkop, maar ook was er nog MRIJ-vee, Fries roodbont en een FH-ras aanwezig; allemaal rassen die bestonden uit tal van typen, voortkomend uit familieteeltsystemen (een gesloten foksysteem op basis van lijnen met gebruik van stieren uit eigen populatie).

Het gaat dus niet zozeer om het in vergetelheid geraken van een ras, maar om de drijfveer achter het systeem. Er is sprake van een werelduniformering. Een trend die gericht is op louter efficiëntie in de bedrijfsvoering en die dus schaalvergroting, standaardisering en uniformering vereist. In Nederland is dit minder zichtbaar, maar in landen met meer veel uiteenlopende milieus (bergen, droogte, zand, klei) en verschillende doelen (trek/vlees/melk) zie je dat de achteruitgang van bijzondere rassen nog veel sterker is (bijvoorbeeld van Pinzgauer), dan wel verdringing in het ras plaatsvindt naar de Holsteins. (Brown Swiss in plaats van Braunvieh).

Daarnaast is er ook sprake van het verdwijnen van variatie binnen een ras. Dit is ingezet met het KI-systeem. Sperma kan versleept worden over de hele wereld. Dus een zwartbonte koe oogt nog steeds zwartbont, maar de genetische variatie in het ras loopt sterk terug. Wij moeten ons verder realiseren dat de HF-koeien afkomstig zijn van een handjevol koeien die in 1860 uit West-Friesland en Friesland naar de VS zijn verscheept. Deze smalle basis is het uitgangspunt geweest voor de Holstein Friesian (HF). De HF overspoelt momenteel de wereld en verdringt wereldwijd alle rassen en variatie.

Er is wel degelijk sprake van inteelt, die te hard loopt. Dat kan ook niet anders, gezien de wereldwijde inzet van sperma van zogenaamde topstieren.

De oplossing? Familieteelt op regionale schaal, waarin aandacht is voor een genotype/milieu-interactie. Een mooi voorbeeld vind ik de huidige basisfokbedrijven in de FH-populatie. Zij laten zien hoe echte fokkers een ras verbeteren en instandhouden. Via hen kunnen veehouders kiezen welk diertype het beste past bij hun bedrijfssituatie. Op deze wijze ontstaat er regionale diversiteit. Dit is een vorm van fokken die goed past bij de diversiteit aan bedrijfsomstandigheden van de biologische landbouw en de behoefte aan optimalisering door aanpassing aan die diversiteit. In de biologische fokkerij gaat het ook om ruimere doelen, zoals levensduur en vitaliteit.

Conservering van een ras heeft alleen zin op een wijze zoals de FH-basisfokbedrijven dat doen. Het heeft wat mij betreft geen zin om een enkel bedrijf of enkele koeien als genenbron te bewaren omdat de variatie veel te beperkt is om recht te doen aan een ras. Anders worden het museumstukken, waaruit toch de meeste eigenschappen (als ras) verdwenen zijn.

Klonen is weer een volgende stap in de uniformeringstrend die al is ingezet. Het wordt echt gevaarlijk wanneer het op een schaal gaat plaatsvinden zoals nu de hybriderassen in de kippen- en varkenshouderij worden ingezet. Wereldwijd is er nog maar een beperkt aantal kippenfokbedrijven (multinationals), die vrijwel alle kippen over de wereld leveren. En dan zijn dat geen rassen meer maar merken!

Ir Edith Lammerts van Bueren, Louis Bolk Instituut

Moraal
Wat maakt de casus tot een ethisch probleem? Niet de (museale) esthetische waarde van de blaarkop in onze schilderijen en in ons landschap. Gaat het hier dan om de natuur, de ecosystemen en de biodiversiteit die we om zichzelfswille in stand willen houden? Ookdat is maar zeer de vraag. Blaarkoppen en al het andere fokvee zijn toch 'gemaakte' dieren voor melk- en vleesproductie? Het komt me voor dat dit soort rassen en variëteiten daarom vanuit ecologisch perspectief niet zonder meer als intrinsiek waardevol zijn op te vatten. Het instrumentele prevaleert, ook voor ons nageslacht. Kun je overigens wel zinvol spreken van het ras als object van morele zorg?

Hoe zou je de fokker die van blaarkoppen overschakelt naar FH's in moreel opzicht willen aanspreken op de versmalling van de genetische basis van ons fokveebestand?

Is het wellicht het risico van de honger, het risico van de afnemende voedselzekerheid voor ons nageslacht, dat aan het probleem van de afnemende genetische variatie van onze fokveepopulatie een overtuigend moreel karakter verschaft? Moeten we die variatie bijvoorbeeld bewaren opdat we ongestoord op hoog niveau kunnen blijven produceren om aldus aan de groeiende vraag op wereldmarkten te kunnen voldoen? De meningen hierover lopen in ieder geval sterk uiteen. In gezaghebbende economische kringen komt deze opvatting naar voren. Von Weiszäcker en Van Dieren echter beklemtonen hoe het westerse systeem van dierlijke productie en de daaraan verbonden consumptie van dierlijke producten het wereldvoedselvraagstuk mede in stand houdt en ook de biodiversiteit bedreigt. Dat systeem van produceren zou zo wel eens aan zijn eigen falen ten gronde kunnen gaan. Het is daarom wellicht toch niet uitgesloten dat in de toekomst onze oude rassen en variëteiten niet alleen in arme landen maar ook hier nog van wezenlijk belang voor het wereldvoedselvraagstuk zouden kunnen zijn.

Unilever wijst ons er evenwel op hoe de biotechnologie (in schimmels, bacteriën en cellijnen) de mogelijkheid schept om op alternatieve wijze dierlijke eiwitten te produceren.

De moraal van het verhaal lijkt mij te zijn dat er vele redenen zijn om de genetische variatie in ons fokvee te bewaren maar dat er een onduidelijk en onzeker verband met de moraal lijkt te bestaan.

Mr drs Jan Staman, ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Genenbanken
Een van de risico's die we lopen bij de verdergaande specialisatie en verbetering van het rundvee is dat er verlies optreedt aan genetische eigenschappen. Ik sluit ook niet uit dat dat gebeurt. Het ligt dus redelijk voor de hand om daar beleidsmatig oplossingen voor te formuleren, omdat die specialisatie onontkoombaar is. Althans als de Nederlandse melkveehouderij in Europees verband en ook op wereldschaal de concurrentie wil blijven kunnen aangaan.

Ik stel voor dat we hetzelfde doen als wat bij de planten al lang en breed is ingevoerd, namelijk het instellen van genenbanken. Daarbij moeten we internationale afspraken maken over welk land welke soort beheert. Bij de landbouwkundig interessante plantaardige rassen werkt dat volgens mij heel goed.

Overigens is het Nederlands landschap de laatste jaren natuurlijk verrijkt met rundersoorten uit andere landen. Deze worden echter alleen voor het vlees gehouden. Met het verdwijnen van de blaarkop zijn typische Nederlandse melkveerassen verdwenen, met het eerder vermelde risico.

Ir Rob Tazelaar, Productschappen Vee, Vlees, en Eieren

Reguleren
De Dierenbescherming is fel gekant tegen het kloneren van dieren. Je moet niet aan dieren knutselen, als waren het dingen. Het doet geen recht aan de eigenwaarde van het dier. Los van dit principiële uitgangspunt levert het kloneren natuurlijk forse risico's op, die gepaard gaan met dierenleed: spontane abortussen, sterfte van de net geboren dieren, geboorteproblemen enzovoorts. Koeien zijn sociale dieren en de vraag is hoe ze de rangorde in de groep bepalen als alle dieren identiek zijn.

Ik vrees dat de verregaande specialisatie in de melkveehouderij leidt tot versmalling van de genetische basis van het melkvee, met alle gezondheidsrisico's van dien. Op de korte termijn zou het kloneren in het voordeel van de boer kunnen zijn, maar op de lange termijn zou het het voortbestaan van de sector in gevaar kunnen brengen, bijvoorbeeld bij het massaal uitbreken van een ziekte. Bovendien kan het soms even duren voordat bepaalde gebreken aan het licht komen. Het erfelijk defect kan dan al lang en breed binnen een grote populatie zijn verspreid.

De snelheid van het introduceren van eigenschappen, al dan niet gewenst, is natuurlijk met de kunstmatige inseminatie enorm toegenomen. Die KI is overigens geïntroduceerd om infecties bij de bevruchting te voorkomen, maar heeft ertoe geleid dat een beperkt aantal, zeer gewilde, stieren de sector overheerst. Dat is een paar jaar geleden al eens fout gegaan.

Ik vind dan ook een heel stringente regulering van dit soort ontwikkelingen noodzakelijk. Regulering door de overheid, want ik kan mij voorstellen dat een individueel bedrijf zich laat leiden door de kortetermijnresultaten.

Drs Helga van Veen, Dierenbescherming

FORUM

De blaarkop - een ethisch probleem?

LT-Journaal nr 9 25-06-1998
In de bijdragen aan het thema 'De blaarkop verdwijnt' in het LT Journaal van 14 mei komen drie kwesties aan de orde. Komt met het verdwijnen van een ras de diversiteit (ook binnen het ras) in gevaar en draagt kloneren daar extra toe bij? Zijn 'gemaakte' dieren intrinsiek waardevol? En zijn schaalvergroting en specialisatie (een relatief beperkt aantal rassen) onontkoombaar?

De presentatoren van 'De stelling', Brascamp en De Boer, poneren dat volgens fokkerijdeskundigen (onder wie zij zelf?) kloneren slechts een deel van de fokkerij- en vermeerderingstechnieken zal kunnen zijn en dat daardoor erfelijke variatie in de fokveepopulatie gehandhaafd zal blijven. Zij adstrueren evenwel niet waarom dat zo is. De meeste inzenders gaan er echter van uit dat vermindering van de genetische variatie waarschijnlijk is, of op z'n minst niet ondenkbaar. Alleen Schroten vaart blind op verzekeringen van de fokkerijdeskundigen.

Als men de natuur als één groot genenreservoir beschouwt, dan zou ik me kunnen voorstellen dat het verder verengen van het kleine deel daarvan dat de mens heeft 'afgesplitst' om er zijn cultuurrassen van te maken, er uit het oogpunt van de evolutiebiologie niet zoveel toe doet. Staman zegt dat rassen en variëteiten ,,vanuit ecologisch perspectief niet zonder meer als intrinsiek waardevol zijn op te vatten''. Maar zij kunnen wel waardevol zijn in cultuurhistorische zin en aan de vraag in hoeverre we cultuurbezit mogen laten verdwijnen zit wèl een ethische kant.

Tazelaar betoogt overigens terecht dat men, analoog aan wat met gewassen gebeurt, genenbanken zou moeten instellen. In deze discussie is de natuurlijke diversiteit nauwelijks in het geding en dat is een ander verhaal, waar wèl een morele kant aan zit - onze verantwoordelijkheid voor het behoud van het leven op aarde - waarop ik in dit bestek niet zal ingaan (zie daarvoor onder andere E.O. Wilson: The Diversity of Life).

Merkwaardig is echter wel dat niemand behalve Helga van Veen wijst op het gevaar dat bij versmalling van de genetische basis het risico van massaal uitbreken van ziekten groter kan worden (en ik zou zeggen: in de plantenwereld ook van onverwachte nevenverschijnselen zoals resistentie tegen bestrijdingsmethoden of natuurlijke vijanden). We moeten altijd wantrouwig blijven jegens de geruststellende verzekeringen van deskundigen. Dan moet ik denken aan Rachel Carsons Silent Spring uit de jaren vijftig. De toenmalige directeur van de Plantenziektekundige Dienst, Brièjer, werd door zijn medewerkers nauwelijks voor vol aangezien omdat hij Carsons betoog serieus nam en ook ik vond haar beweringen overtrokken. Maar ze heeft gelijk gehad, al was het misschien niet om de argumenten die zij destijds, met de toen beschikbare kennis, aanvoerde. Is dat wantrouwen misschien een eis die we onszelf vanuit ethisch oogpunt moeten stellen?

Er is echter nog iets veel merkwaardigers aan de hand. Alle auteurs op één na houden zich bezig met de ‘technicalities’ van de veefokkerij. Dat is hen waarschijnlijk ingebakken vanuit hun professionele opleiding. Alleen Van Veen stelt: ,,Je moet niet aan dieren knutselen, als waren het dingen.'' Dingen kunnen niet lijden. Ook soorten en rassen, waarover de inzenders het alleen maar hebben, kunnen niet lijden. Het individuele dier echter wèl. De toelaatbaarheid van het toebrengen van lijden is een ethische vraag van de eerste orde. Maar in de tot massale productie verworden veehouderij telt het individuele dier slechts als een nummer. Net zoals mensen tot nummers kunnen verworden voor degenen die macht over hen uitoefenen, als militair in de oorlog of als gevangene in een concentratiekamp.

Die centrale vraag naar de toelaatbaarheid van het toebrengen van lijden aan andere wezens is in deze bijdragen eenvoudig niet aan de orde. Het opmerkelijkst vind ik nog de bijdrage van Schroten, die men toch niet van blindheid voor ethische vragen mag verdenken. De koe, zo zegt hij, of het nu een blaarkop of een modern ras is, is altijd als een productiedier beschouwd en fokken is niet anders dan de productiekenmerken verbeteren. ,,Beide rassen zijn onderhevig aan vertechnologiseren'', zegt hij, en ,,Moreel is er dus geen verschil''.

Met dat laatste heeft hij gelijk maar hij heeft, zo lijkt het, niet in de gaten dat hij met die uitspraak aan de essentiële vraag voorbij gaat: mogen wij dieren uitsluitend als productiefactor beschouwen en hen onbeperkt vertechnologiseren? Is, zoals Tazelaar zegt, specialisatie onontkoombaar? Onontkoombaar zeker, als we economische motieven en internationale concurrentie steeds laten prevaleren. Maar de ethische vraag is of en waar we bereid zijn grenzen daaraan te stellen. Ik ben geneigd daaraan toe te voegen: vanwege de schade die we aan onze eigen ziel dreigen op te lopen. Natuurlijk gaat het ook om het afwegen van menselijke belangen tegen die van het dier en eenvoudig is dat niet altijd. Maar geen van de inzenders, behalve voorspelbaar de dierenbeschermer, heeft het daarover. Men gaat eenvoudig uit van een uitsluitend menselijk (economisch) belang.

De rechtsfilosoof Paul Cliteur heeft in een artikel in Trouw van 13 september 1997 ('Een overwegend geciviliseerde samenleving') erop gewezen hoe in elke samenleving sprake is van morele blinde vlekken. Zo frappeert het, zegt hij, ,,dat Plato en Aristoteles, mensen die zulke verheven ethische idealen wisten te formuleren, ja het gelijkheidsbeginsel zelfs onderschreven, slavernij hebben verdedigd''. En verder: ,,Slaven, vrouwen, kinderen, zwarten, gelen, bruinen, roodhuiden - eeuwenlang was op hen de kwalificatie 'mens' in sociale zin niet van toepassing'' (mede vanwege economische belangen!). En dan, over dieren sprekend, vervolgt hij: ,,Maar voorlopig zitten we in een morele fase waarin we gevoelige wezens een morele status ontzeggen, louter op basis van het feit dat zij niet de macht hebben om voor hun belangen op te komen. Ik verwacht dat dit de blinde morele vlek zal blijken te zijn waarover toekomstige generaties zich met verbazing zullen buigen wanneer zij onze tijd bestuderen.''

En Koos van Zomeren, in een artikel in de NRC van 20 december 1997 ('De terugkeer van het varken'), voegt daar als het ware aan toe: ,,Het is òf onze moraal die zich uitbreidt over de varkenshouderij, òf de moraal van de varkenshouderij die zich uitbreidt over ons.''

Moge de discussie over de blaarkop ons voor een moment van de ‘technicalities’ wegvoeren en tot nadenken over deze uitspraken uitnodigen! Want met het verdwijnen van het blaarkopras zou weliswaar een stukje cultuurbezit verloren gaan, belangrijker als ethisch vraagstuk is de oorzaak van dat verdwijnen. En die ligt bij de vertechnologiseerde massale veehouderij, in het algemene kader van wat wel de 24-uurseconomie wordt genoemd.

ir Louis Razoux Schultz
Wageningen

De consument wil graag betrouwbare bedrijven 

LTJournaal nr9 25-06-1998
De Stelling
Allergische reactie

Een producent van dieetproducten vervaardigt een eiwitrijk preparaat op basis van melkeiwitten. Het is hem bekend dat circa drie procent van de doelgroep mogelijk een allergische reactie kan vertonen. Voor deze patiënten is het product dus ongeschikt. Het blijkt mogelijk om de allergene component te verwijderen, maar daardoor verdubbelt de kostprijs. Concurrerende vervangende producten zullen dan wellicht het preparaat uit de markt drukken. De fabrikant ziet derhalve af van deze maatregel en overweegt om de aanwezigheid van de allergene component op de verpakking te vermelden, waarbij het probleem is dat de concurrent dit niet doet, omdat de overheid hierover niets voorschrijft.

De kern van deze zaak is aangeleverd door ir Wim Lecluse, in samenspraak met ir C. Glas van Friesland Nutrition.

De commissie ethiek van KLV heeft een leidraad ethisch handelen opgesteld, waarnaar afgestudeerden van de Landbouwuniversiteit zich in hun beroepspraktijk kunnen voegen. Wat kan zo'n leidraad voor de praktijk betekenen? De redactie van LT journaal legt de komende nummers een aantal kwesties uit de praktijk voor aan een breed panel. Zij geven, onafhankelijk van elkaar hun mening. Verschillende meningen, dat werd bij de eerste casus in LT journaal nummer 7 al duidelijk. Uiteraard staat het de lezers vrij om zich in het debat te mengen.

Het panel dat wordt geraadpleegd bestaat uit: prof. dr Jan Osse, prof. dr Egbert Schroten, ir Rob Tazelaar, drs Helga van Veen, ir Edith Lammerts van Bueren, prof. dr Marjan Margadant, mr drs Jan Staman.

U vindt hun bijdragen onder de afzonderlijke kopjes op deze pagina. Nog niet iedereen heeft aan de eerste casus kunnen bijdragen.

Productinformatie
De consument heeft recht op goede productinformatie en daarmee op een vrije keuze, ook wat allergene stoffen betreft.

We zien steeds meer dat de consument verwijderd raakt van het productieproces van zijn dagelijkse voedsel. Het voedsel wordt meer en meer in een verwerkte vorm, al of niet met moderne technologieën, aan de consument voorgeschoteld. Een consument is dus steeds meer overgeleverd aan productinformatie om te weten en vrij te kunnen bepalen wat hij eet.

Voedselallergieën zijn in toenemende mate een probleem en verdienen daarom meer aandacht. Zeker bij dieetproducten waar een consument al of niet voor een beperkte periode intensief gebruik van maakt, zouden allergene stoffen vermeld moeten! Het vermelden van allergene stoffen wordt overigens al steeds meer gedaan op vrijwillige basis. Dat getuigt van een ethische houding jegens de consument. Patiëntenverenigingen weten heel goed om welke bedrijven dat gaat.

Van fabrikanten van voedingsproducten zou je wensen dat zij hun producten niet louter als dingen met een concurrentiekracht zien, maar als levens-middelen. Daarmee hebben zij een maatschappelijke verantwoordelijkheid, die onder andere in open productinformatie tot uiting kan komen.

Dit probleem van etiketteren en de angst voor concurrentie bij vermelding kennen we ook van de bereiding van levensmiddelen met behulp van genetische manipulatie. In een interview met ons in Genokrant 3 (1995) zegt Schipper van Unilever over de openheid vanuit de industrieën: ,,Elke onderneming die zichzelf respecteert, erkent dat er ook nog zoiets is als maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het milieu, de veiligheid en de gezondheid, dat zijn allemaal aspecten waar je rekening mee moet houden. Volgens mij gaat in de toekomst ook in de voedselindustrie meer en meer afgerekend worden op maatschappelijke issues. Je ziet dat nu al duidelijk in Duitsland en in de Scandinavische landen.’’

De consument wordt gelukkig steeds kritischer en zal op termijn een dergelijke (ethische) maatschappelijke verantwoordelijkheid van de voedselindustrie afdwingen. Ontwikkelingen als Max Havelaar en Fair Trade getuigen er al van dat de consument daar oog voor gaat krijgen.

Nu mag er nog veel discussie zijn over de al of niet schadelijkheid van genetische manipulatie voor de gezondheid, over bepaalde allergene stoffen weet men dat wel zeker; het is kwalijk als dergelijke informatie wordt achtergehouden. De overheid heeft hierin een duidelijke rol om de consument te beschermen tegen willekeur en zou adequate productinformatie, inclusief vermelding van allergene stoffen, verplicht moeten stellen, om oneerlijke concurrentie te voorkomen. Zonder openheid van zaken heeft de consument geen vrije keus. En die is essentieel!

Ir Edith Lammerts van Bueren, Louis Bolk Instituut

Betrouwbaarheid
Als een producent weet welke risico’s kleven aan een product, doet hij er verstandig aan die risico’s weg te nemen. Ook als dat gepaard gaat met hogere kosten. Ik ben er namelijk van overtuigd dat hij daarmee de betrouwbaarheid van al zijn producten versterkt. Zo’n producent moet dat natuurlijk wel goed onder de aandacht brengen; hij moet zich positioneren als zeer gedegen en verantwoordelijk bedrijf. Dat geldt natuurlijk ook en misschien nog wel meer voor het vermelden van de productspecificatie op etiketten. Of de concurrent dat wel of niet doet maakt niet uit. De consument wil graag betrouwbare bedrijven en zal dat, daar ben ik van overtuigd, belonen.

Drs Helga van Veen, Dierenbescherming

Aansprakelijkheid
De producent veroorzaakt bij drie procent van de gebruikers van zijn dieetproduct willens en wetens gezondheidsschade. Deze categorie vertoont een allergische reactie op het middel. Hoe zou je de toelaatbaarheid hiervan kunnen afwegen en verandert het resultaat wanneer de producent de potentiële gebruikers waarschuwt voor het risico?

Hoe kom je overigens aan een afwegingskader dat ook anderen overtuigt? Je zou (een in de rechtsvinding beproefde methode) twee tegengestelde casusposities kunnen vergelijken. Je komt zo snel de waarden en principes op het spoor die in dergelijke zaken van belang zijn. Vervolgens beoordeel je in het licht hiervan de feiten en omstandigheden van de casus waarover je mening wordt gevraagd.

Maar voordat je aan dit soort exercities begint, is het wel raadzaam om na te gaan welke afwegingskaders sowieso op de casus van toepassing zijn. In deze casus bijvoorbeeld is dat het aansprakelijkheidsrecht zoals dat is uitgewerkt voor de onrechtmatige daad en de productaansprakelijkheid in het bijzonder. Dit recht biedt een doordacht en uitgewerkt afwegingskader. In dit geval lijken recht en moraal hand in hand te kunnen gaan.

Het kader vat ik kort samen:

Een product is gebrekkig (en de producent is voor dit gebrek aansprakelijk) indien het niet de veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder:

  • de presentatie van het product
  • het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product en
  • het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht.

Wat zijn nu ‘alle omstandigheden’ die je verder in aanmerking neemt? In het recht wordt inmiddels aan de volgende elementen betekenis toegekend:

  • Het ontwerp, de samenstelling en de constructie. Hier wordt onder meer de voorzienbaarheid van het gebrek in beschouwing genomen. De producent kende het gevaar precies.
  • De al genoemde presentatie. Hier wordt onder meer de waarschuwingsplicht voor risico’s in beschouwing genomen. Wanneer door het nalaten van waarschuwingen niet die veiligheid wordt geboden die anders wel zou worden geboden, kan er sprake zijn van een gebrek waarvoor de producent aansprakelijk kan worden gesteld. De producent moet zich hier de vraag stellen of de potentiële gebruiker dankzij de waarschuwing gezondheidsschade kan voorkomen of beperken. Zo ja, dan zie ik geen overtuigende argumenten waarmee de producent zich nog zou kunnen verontschuldigen.
  • Het redelijkerwijs te verwachten gebruik.
  • Het tijdstip waarop het product in het verkeer wordt gebracht.
  • De ernst van het gevaar en de waarschijnlijkheid van optreden. Allergische reacties variëren nogal. Van kortdurend ongerief tot heftige en soms levensbedreigende reacties. Is drie procent ook het getal dat je vindt bij andere producten zoals brood en melk en is de aard en ernst van de allergische reacties vergelijkbaar?
  • De beschikbaarheid van alternatieven en de bezwaarlijkheid daarvan, ook financieel. Terecht mag de producent ook de financiële aspecten van het alternatief in de alternatievenafweging betrekken.
  • De kenbaarheid van het gevaar ook voor de gebruiker. Ik neem aan dat over dit dieetproduct niets bij het publiek bekend is. Met het argument van de algemene kenbaarheid kom je overigens niet gemakkelijk onder je waarschuwingsplicht uit.
  • De prijs van het product.
  • De aard van het product.
  • De gevaarlijkheid van het product ná het gebruik.
  • De voordelen van het product mede afgezet tegen de nadelen. Hier komt de vraag aan de orde of de voordelen van dit product opwegen tegen het nadeel van de allergische reacties. Zo zal je bij een specifiek en uniek geneesmiddel voor een ernstige ziekte - bij gebrek aan alternatieve therapieën - wat meer bijwerkingen accepteren dan bij andere geneesmiddelen. De casus is niet duidelijk over de aard van het dieetproduct. Stel dat het bedoeld is om overgewicht aan te pakken. De noodzaak van dit product lijkt me niet groot. Zie Montignac. Je zou daarom zelfs minder bijwerkingen kunnen accepteren dan voor melk of brood. Maar de zaak zou wel eens heel anders kunnen liggen wanneer het om een uniek dieetproduct zou gaan voor bepaalde leverpatiënten of voor een zeer ernstige categorie van overgewichtspatiënten

Mr drs Jan Staman,ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij

Etiket
Als bekend is dat een bepaald product bij een deel van de bevolking, hoe klein ook, een allergische reactie kan oproepen, moet dat op het etiket worden vermeld. Ik kan daarover heel kort zijn. Als de overheid dat nog niet verplicht stelt, dan moet dat zo snel mogelijk veranderen.

ir Rob Tazelaar, Productschappen Vee, Vlees, en Eieren

Reclame
Bij het beoordelen van de kwestie met de voedingsmiddelen is het van belang te weten of het een algemeen noodzakelijk voedingsmiddel is of niet. Ook zou ik willen weten hoe ernstig de allergene reactie is. Vervolgens is ook de vraag aan de orde hoe de kwaliteit en de veiligheid van het voedsel wordt beïnvloed door het verwijderen van het allergeen. Dat mag dus geenszins gebeuren. Het welzijn van de mens prevaleert.

Ik ben ervan overtuigd dat als de fabrikant besluit het allergeen te verwijderen, als dat tenminste zonder risico’s kan, dat uitstekend te gebruiken is in de reclame voor zijn product. Het zou weleens in zijn voordeel kunnen uitpakken. Ik zie hier dus ook niet echt een morele kwestie in.

Prof. dr Egbert Schroten, Centrum voor Bio-ethiek


Bodemdaling veenweidegebieden en waterbeheer

LTJournaal nr12 3-9-1998

Wederom een casus in de serie over ethische beschouwingen. Dit probleem, aangeleverd door de Wageningse hydroloog prof. dr ir Reinder Feddes, past uitstekend in deze LT-special: wat moeten we met de verdroging van de veenweidegebieden. Een veelomvattend probleem, dat geen eenduidige oplossingen kent. Ook hier geldt weer: de discussie is niet afgerond. We zijn en blijven benieuwd naar reacties van lezers.

De stelling
De driehonderdduizend hectare aan veenweidegebieden in West- en Noord-Nederland zakken voortdurend, terwijl de zeespiegel maar blijft stijgen. Daardoor zijn steeds hogere dijken nodig om het water te keren.

Sinds het jaar 1000 wordt in de klei- en veengebieden door het graven van greppels de grondwaterstand verlaagd en treedt er bodemdaling op als gevolg van klink van kleigronden en krimp en oxidatie van veengronden. En daarmee begon de neerwaartse spiraal: bodemdaling maakte een verdere peilverlaging van het oppervlaktewater noodzakelijk, die weer leidde tot verdere klink en in het geval van veen tot afbraak. Afhankelijk van de mate van drooglegging, grondgebruik en bodemprofiel bedraagt de bodemdaling nu zo'n vijf tot vijftien millimeter per jaar. Zo liggen de laagste polders in Nederland nu al op zes à zeven meter beneden de zeespiegel.

Door de peilverlaging van het oppervlaktewater kunnen de boeren eerder het land op, neemt de lengte van het groeiseizoen toe, en komt er een grote hoeveelheid stikstof door mineralisatie beschikbaar (250 kilogram per hectare). Daarnaast wordt de mogelijkheid van vastlegging van fosfaat vergroot.

Behalve deze gunstige effecten voor de landbouw zijn er ook zeer nadelige effecten. Door de grondwaterstandverlaging ontstaan er krimpscheuren, met als gevolg een grotere uitspoeling en belasting van het oppervlaktewater met verontreinigende meststoffen. Ook neemt door de grondwaterstandverlaging de kwel toe, waardoor de ontwatering weer wordt bemoeilijkt. Tot slot neemt als gevolg van oxidatie van het veen de emissie van CO2 toe tot zo'n 1650 kilo per hectare per jaar (één procent van de jaaremissie van Nederland).

De biodiversiteit van veenweidegebieden is als gevolg van de grondwaterstanddaling en de slechte waterkwaliteit de laatste decennia sterk afgenomen. Voor het herstel van de natuurwaarden zijn nu proefprojecten in gang gezet, waarbij via een combinatie van een gebiedsgerichte en een bedrijfsgerichte aanpak de noodzakelijke maatregelen worden getroffen.

Bescherming tegen hoog water, handhaving van een moderne landbouw, verbetering van de waterkwaliteit en bevordering van natuurontwikkeling zullen moeten worden gerealiseerd via een integraal waterbeheer, afgestemd op de genoemde functies. De kernvraag is nu: wat kan, mag en wil ik handhaven en prioriteit geven?

Knelpunten:
Door het toenemen van de hoogteverschillen tussen rivier- of zeewater en polderland zal de veiligheid moeilijk te realiseren zijn.
Maaivelddaling door diepe ontwatering zal op de lange duur landbouw onmogelijk maken. Men zal boeren tot het veen op is en wat dan?

Prof. dr ir Reinder Feddes

Vooruitschuiven
Het veenweidegebied en polderlandschap is een door de mens gemaakt landschap en kan alleen behouden blijven door de mens/boer. Ik ben geen voorstander van het scheiden van natuur en landbouw, waar aan de ene kant de landbouw geïntensiveerd wordt en aan de andere kant natuurparken als museums gecreëerd worden met hekjes eromheen. Ik vind dat landbouw ook ruimte moet geven aan natuurwaarden en een bijdrage moet kunnen leveren aan (agro)biodiversiteit.

De biologische landbouw is een vorm van landbouw die een dergelijke multifunctionaliteit nastreeft.

We hebben hier echter met een heel specifiek probleemgebied te maken. Om hier naar de huidige economische maatstaven landbouw te bedrijven moet de waterstand lager worden gehouden dan hier op lange termijn goed is. Zelfs biologische landbouw vraagt een lage waterstand om economisch te kunnen boeren, en biedt hier dus niet zonder meer een oplossing.

Er wordt momenteel te veel rekening gehouden met de (landbouwkundige) voordelen op korte termijn en de langetermijnnadelen worden vooruitgeschoven. Vanuit een lange termijn en dus meer duurzame (en maatschappelijk-ethische) wijze van handelen is hier een stap terug nodig. Er zal voor dit gebied een aangepaste vorm van (biologische) landbouw ontwikkeld moeten worden. De waterstand zal meer omhoog moeten, en het gebied leent zich dan alleen als weidegebied. De steeds meer oprukkende maïsvelden zijn dan niet meer haalbaar. Het maatschappelijke belang van een dergelijk gebied is het behoud van een cultuurlandschap en weidevogelgebied. Dat belang en die waarde moet dan uitgedrukt worden in een 'dalboeren'-subsidieregeling, zoals we die voor bergboeren kennen, want anders is er geen boer meer die hier zijn brood kan verdienen.

Die bergboerensubsidieregeling is er om in hooggebergten, waar geen rendabele vorm van landbouw te bedrijven is, toch boeren een bestaan te geven omdat zij in ruil daarvoor het berglandschap als cultuurlandschap functioneel blijven verzorgen.

We moeten af van het idee dat als een boer niet zonder subsidie kan werken, hij slechts een parkwachter is. Anders moeten we via ons belastinggeld het opvangen van de nadelige milieugevolgen van de landbouw subsidiëren!

Door ook in zo'n extreem gebied landbouw op lange termijn te behouden, wordt een bijdrage geleverd aan een diversiteit van landbouwvormen, en daarmee aan biodiversiteit in het algemeen!

Edith Lammerts van Bueren, Louis Bolk Instituut, Driebergen

De eerste stap
Ik vind dit een wat lastige casus, omdat ik niet direct zie waar de morele problemen de kop opsteken. Bij morele uitspraken gaat het om wat mensen doen, wat ze behoren te doen en wat ze niet behoren te doen. Het door Feddes geschetste probleem is bijna duizend jaar geleden ontstaan en heeft zich door de eeuwen heen ontwikkeld. De vraag is dus: wie valt hier iets te verwijten? Wie is aansprakelijk? Of gaat het om de boer in het algemeen, of de industrie in het algemeen? Er ontbreekt met andere woorden een moreel subject.

Ten tweede is de vraag wat er in het geding is dat moreel relevant is. Ik zie in de casus veiligheidsaspecten, aspecten op het gebied van biodiversiteit, millieuproblemen en welzijnsvraagstukken voor de boer. Alle vier deze zaken zijn in het geding en dat leidt onherroepelijk tot spanningen. Het gaat er nu dus om waaraan prioriteit wordt gegeven en waarom. Ik weet niet wat de beleidsdoelstellingen zijn voor de veenweidegebieden. Ik weet ook niet wat de opties zijn om de problemen aan te pakken. Zijn dat ook reële opties? Wat is de prijs die je betaalt om een beleidsdoelstelling te realiseren? En dus zeg ik: ,,God help me to keep my big mouth shut, till I know what I'm talking about.''

Er kleven aan de casus bovendien grensoverschrijdende aspecten. Het probleem van de zeespiegelstijgig overschrijdt de bevoegdheden van de Nederlandse overheid. Het is een internationaal probleem en je hebt dus anderen nodig om het aan te pakken.

Natuurlijk mag dat geen argument zijn om niets te doen. Het gaat er alleen om wie bereid is de eerste stap te doen. Het feit dat het een veelomvattend, internationaal probleem is mag niet als schaamlapje dienen. Aan de andere kant geldt natuurlijk, ook in de ethiek, dat niemand is gehouden tot het onmogelijke. In de toegepaste ethiek is het nooit alles of niets... het gaat om een weging van argumenten.

Prof. dr Egbert Schroten, Centrum voor Bio-ethiek

Discontinuïteit in het veengebied
Deels als een autonoom proces en vooral door 's mensen toedoen ontstaan er structurele problemen in de veengebieden die - en dat is kenmerkend voor systeemfouten - links en rechts als incidenten naar voren komen. We raken zogezegd hopeloos verzeild in een baaierd van onvoorziene, onbedoelde en ongewenste gevolgen.

Integrale aanpak van die problemen lijkt me vooral een gevaarlijk instrument uit de bestuurskundige trukendoos van de liberale democratie. In feite bereikt men met zo'n aanpak meestal niet meer dan een kortstondige reductie van de spanning. Spanning die wordt veroorzaakt door de grote tegengestelde belangen die in de veengebieden in het geding zijn. We weten dat we met zo'n aanpak niet veel meer doen dan Kurieren am Symptom wanneer we niet de omstandigheden scheppen waaronder werkelijk een integrale aanpak mogelijk is.

Allereerst is het nodig dat men zich diep realiseert dat we hier te maken hebben met een echte systeemfout, een discontinuïteit die hoe dan ook de sociale praktijken op de veengebieden ingrijpend zal beïnvloeden. Daarvoor is het nodig om de aard en de omvang van het probleem vast te stellen. Het is nodig dat de betrokkenen het persoonlijke, het tragische en het onontkoombare van het probleem inzien en verwerken. Dat proces moet door het openbaar bestuur op scherp worden gezet en dit moet ook de verantwoordelijkheid voor dit probleem en de aanpak ervan distribueren. Anders gezegd, de politiek en het openbaar bestuur moeten de crisis naar zich toehalen en niet in de valkuil van de spanningsreducers tuimelen. Slechts door de crisis naar je toe te halen kun je er meester over blijven! Incidenten moeten daarom worden aangewend om de onontkoombaarheid van het probleem te articuleren.

Nu zijn er weinig woorden nodig voor de stelling dat in de veengebieden de perspectieven voor de gangbare landbouw buitengewoon slecht zijn. Geen business as usual meer. De boeren moeten op zoek naar nieuwe vormen van bestaan, ze worden zoekboeren, op zoek naar nieuwe zelfbeschrijvingen en naar feitelijk nieuwe perspectieven op het ondernemerschap. Dat zal gaan gebeuren, ongeacht de aard van de maatregelen die worden genomen! Hoe dan ook zullen de huidige grondgebruikers zich allen indringend moeten beraden op hun toekomstperspectief. Maar dat proces komt pas eerst op een goede manier op gang wanneer openbaar bestuur en politiek glashelder zijn over de aard en de omvang van het probleem en de verdeling van de verantwoordelijkheden. Dan en dan alleen blijken er onverwachte bronnen van vernieuwing en creativiteit te bestaan, dan en dan alleen ontstaan er nieuwe netwerken.

Dat is het proces waar we naar toe moeten. Wat we niet moeten laten gebeuren is dat de bewoners van onze veengebieden allereerst worden gekarakteriseerd als slachtoffers van een natuurramp en vervolgens worden geoormerkt als de toekomstige slachtoffers van het overheidsbeleid.

Mr drs Jan Staman, ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Het houden van vleesprimaten 

LTJournaal nr 13 24-9-1998
De stelling
Het gaat niet goed met de varkenshouderij in Nederland. Velen zien steeds minder mogelijkheden om op een economisch verantwoorde wijze dieren te houden. Varkenspest, milieuregelingen en welzijnseisen maken de concurrentie onmogelijk. Veel varkenshouders overwegen om over te schakelen op het houden van andere diersoorten. Sommigen gaan struisvogels houden, anderen pelsdieren. Een varkenshouder denkt ook na over het houden van primaten voor de vleesproductie.

Tijdens een televisieprogramma over het transplanteren van dierlijke organen in mensen blijkt dat wordt onderzocht of het mogelijk is varkensorganen daarvoor te gebruiken. Tegenstanders wijzen er in dat debat op dat verder gebruiken van dieren niet acceptabel is. Voorstanders menen dat varkens toch al vaak onder erbarmelijke omstandigheden worden gehouden en dat nu niet gezeurd moet worden over die paar extra beesten die gebruikt kunnen worden voor levensreddende handelingen. We eten de dieren tenslotte ook op.

Bij een verslag in de krant van een discussie over xenotransplantatie blijkt dat de 'vakbond voor dieren' Pro Primate pleit voor een verbod op het gebruik van primaten in dierproeven. Pro Primate somt de argumenten op: (niet humane) primaten zijn aan de mens verwant; (niet humane) primaten hebben cognitief een hoger ontwikkelingsniveau dan andere dieren en (niet humane) primaten lijken een grotere mate van individualisatie en bewustzijn te hebben, wat zich uit in de complexiteit van het gedrag en in sociale interacties.

Een diergedragskundige geeft in het artikel commentaar op het standpunt van Pro Primate. Hij vindt het onderscheid in hogere en lagere diersoorten onzin. Varkens zijn sociaal zeer ontwikkelde dieren. De groepsstructuur van varkens, hun exploratieve gedrag en hun leervermogen maken duidelijk dat we met zeer ontwikkelde dieren te maken hebben. Hij is van mening dat dierproeven gerechtvaardigd zijn vanwege het grote belang ervan voor de geneeskunde. Soms kunnen die proeven beter met ratten of muizen, soms met varkens en weer een andere keer beter met primaten. Dierproeven moeten altijd zorgvuldig worden uitgevoerd; hij verwijt Pro Primate discriminatie van de andere diersoorten.

De varkenshouder heeft het gevoel dat er krom wordt geredeneerd in de maatschappelijk discussie over het houden van dieren. Het komt hem voor dat er inderdaad een verschil is tussen primaten en varkens. Tegelijkertijd vindt hij dat je eigenlijk geen onderscheid moet maken als dierenwelzijn in het geding is. Waarom, zo vraagt hij zich af, is dan de varkenshouderij moreel acceptabel en het houden van 'vleesprimaten' niet.

Dr. Frans Brom, Centrum voor Bio-ethiek en Gezondheidsrecht

De eigenwaarde van het dier
Dit is een ingewikkelde casus. Laat ik voorop stellen dat wat mij betreft er geen onderscheid is tussen primaten en varkens als het gaat om eigenwaarde van de dieren en het belang van dierenwelzijn. Op hoofdlijnen ben ik het met de opgevoerde gedragskundige eens dat beide dieren over het vermogen tot lijden beschikken.

Centrale vraag bij het houden van dieren is altijd: voor welk doel is het en kan het ook anders. Feit is dat het niet noodzakelijk is om vlees te eten, althans niet per se noodzakelijk om gezond te blijven. Aan de andere kant moet worden geconstateerd dat de mens in de westerse samenleving ervoor heeft gekozen dat wel te doen, omdat het wordt beschouwd als een kwaliteitsverbetering van het leven. In die zin moeten we dus het houden van dieren voor de consumptie accepteren, maar dat gegeven legt wel de noodzaak op aan de samenleving om welzijnseisen optimaal te waarborgen.

Bij een nieuwe diersoort, zoals bijvoorbeeld de genoemde primaten, moet je je afvragen of het werkelijk noodzakelijk is deze toe te voegen aan het assortiment. Ik denk van niet. Er zijn genoeg verschillende diersoorten beschikbaar. Bovendien krijg je te maken met totaal nieuwe en onbe kende problemen op het gebied van het welzijn. De dieren zijn niet gedomesticeerd en dus moeilijk te houden. Dat leidt bij mij tot de conclusie dat we er niet aan moeten beginnen, nog even afgezien van het gevoelsargument met betrekking tot apen. Als ik veehouder was zou ik er niet aan beginnen, omdat ik niet denk dat primatenvlees zal worden geaccepteerd.

Het houden van primaten voor xenotransplantie vind ik momenteel ook een brug te ver. Je zult, om te beginnen, de dieren genetisch moeten manipuleren om ze meer geschikt te maken voor dat doel. Ik vind genetische modificatie van dieren een ernstige aantasting van de eigenwaarde van het dier en dus verwerpelijk. Maatschappelijk wordt een 'nee, tenzij'-principe gehanteerd. Daar wordt gekeken of het nagestreefde doel voldoende zwaar is en of er alternatieven voorhanden zijn. Naar dat laatste aspect is nog absoluut niet gekeken. Bovendien zijn er grote risico's aan het gebruik van organen van primaten: mens, dus de kans dat ziektekiemen overspringen is meer dan denkbeeldig. Teneinde dat te voorkomen zullen de dieren dus onder heel strikte hygiënische omstandigheden moeten worden gehouden. En dat zal leiden tot ernstige aantasting van het dierenwelzijn.

Drs Helga van Veen, Dierenbescherming

De menselijke soort boven alles
Wij behoren zelf tot de primaten. Deze staan ons verschrikkelijk na, in biologisch opzicht bedoel ik, en ik vind het dan ook niet aanvaardbaar om deze voor het geschetste doel te kweken. In heel incidentele gevallen, zoals het kweken van het poliovirus in apennieren, en na zorgvuldige afweging kunnen de dieren worden benut, maar ik kan me helemaal niet voorstellen dat dat voor de vleesconsumptie mag en kan gebeuren. Aan de andere kant besef ik ook dat het moeilijk is een cesuur te trekken, het zwijn is immers ook een hoogontwikkeld zoogdier.

Het kweken van welke diersoort dan ook ten behoeve van menselijke orgaantransplantatie vind ik eigenlijk bizar. Het is een ultieme vorm van sektarisme, van het boven alles stellen van de menselijke soort, en het heeft naar mijn mening niets met gezondheidszorg te maken. We hebben de aarde geërfd van onze voorgangers, andere organismen, en zijn met ons zes miljarden een zodanig wijd verbreid zoogdier dat we denken alles te mogen aanwenden ten eigen nutte. Ik vind elk dier dat voor dit doel wordt opgeofferd een te veel.

Natuurlijk loop je ook nog andere risico's bij het gebruik van zulke nauwe verwanten, al zijn dat voor mij secundaire overwegingen. Ziektes kunnen overspringen, we noemen dat zoönosen, maar er zijn ook wandering genes, prionen en andere nog onbekende mechanismen die het genetisch materiaal kunnen beïnvloeden. Het is dus niet alleen onwenselijk, maar ook buitengemeen riskant.

Er zijn zeer sophisticated methoden in ontwikkeling om aan de vraag naar organen te kunnen voldoen, zonder dat andere organismen daarvan de dupe worden. Manieren om in biomallen van poreus materiaal bijvoorbeeld eigen kraakbeen te kweken, zodat een lichaamseigen nieuwe rib ontstaat. Dat is een weg die ik veel eleganter, ethisch verantwoord en begaanbaar vind.

Prof. dr Jan Osse, Experimentele dierkunde

Onze verre neven
Wie De Waal over primaten heeft gelezen en Van Putten over varkens heeft gehoord, zal nog weinig behoefte hebben om een morele rangorde aan te brengen tussen primaten en varkens.

Als het om onze verhouding met varkens en primaten gaat, mogen we de intensieve varkenshouderij en het proefdierenlab rustig opvatten als achterstandswijken. In die wijken van onze samenleving is het lijden van dieren willens en wetens voorgestructureerd. Er is geen ontkomen aan.

Weliswaar willen we in Nederland dit lijden graag tot het allernoodzakelijkste beperken, de tragiek is echter dat we in de praktijk van zover moeten komen. We verrichten renovatiewerkzaamheden maar tot op de dag van vandaag blijven het achterstandswijken waar op grote schaal en intens wordt geleden.

Kunnen we dan een primatenhouderij ontwerpen waarin de afwezigheid van lijden wordt voorgestructureerd? De economische voorwaarden daartoe lijken me wat minder slecht. We hebben het per slot van rekening over een niche-markt. Ik ben er evenwel niet gerust op. Ik denk dat het welzijn rücksichtslos wordt opgeofferd aan de hoge sanitaire standaarden die zullen worden gesteld.

Geldt de regel dus van de gelijke monniken? Moeten we de primatenhouderij toelaten omdat we ook de varkenshouderij toelaten?

Nee, we proberen van de welzijnsproblemen in de varkenshouderij af te komen en we zijn daarom niet gehouden nieuwe welzijnsproblemen in de primatenhouderij te laten ontstaan. En omgekeerd, als we de primatenhouderij verbieden heeft dat niet tot logische consequentie dat we de varkenshouderij ook moeten verbieden.

Mr drs Jan Staman, bureau Strategische beleidsvorming, LNV

Respect voor eigenheid
Het feit dat de samenleving lange tijd heeft getolereerd dat varkens onder dieronvriendelijke omstandigheden zijn gehouden, mag geen argument zijn om dat als vertrekpunt te nemen voor verdere stappen richting het houden van varkens of primaten voor menselijke organen. Er komen immers steeds meer maatschappelijke en morele bezwaren tegen de reguliere varkenshouderij. Dat zien we weerspiegeld in de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren, waarin het begrip intrinsieke waarde is opgenomen. Dat is echter nog een rekbaar begrip. Het is de vraag hoe je dat moet interpreteren. Je kan het op een marginale manier uitleggen: wat moet je minimaal doen opdat het dier niet lijdt (of doodgaat). De biologische landbouw is geneigd het ruimer op te vatten, en de vraag te stellen: wat moet je maximaal doen om varkens zo te houden dat ze niet in hun eigenheid aangetast worden. Er is immers uit gedragsonderzoek bekend dat varkens zeer ontwikkelde dieren zijn, en dat veel aspecten van de reguliere varkenshouderij voor varkens als levensbedreigend (stress) worden ervaren.

Het is ook bekend dat er voor het houden van varkens voor xenotransplantatie vergaande eisen zullen komen voor bijvoorbeeld steriele omstandigheden. Dit betekent dat de omstandigheden voor dergelijke varkens nog dieronvriendelijker zullen zijn. En dan heb ik het nog niet eens over al die dierproeven die nodig zijn om de techniek zover te ontwikkelen dat ze praktijkrijp is.

Primaten zijn ook zeer ontwikkelde dieren en vragen een nog grotere zorg voor huisvesting die aan hun intrinsieke waarde voldoet. Bovendien is het maar de vraag of de samenleving, die geen traditie heeft in het houden van primaten voor vleesproductie (laat staan voor orgaanproductie), het acceptabel zal vinden om 'nieuwe' dieren te domesticeren. Strikt vanuit de ethiek en intrinsieke waarde van dieren bezien, zou je de vraag moeten stellen of dat werkelijk noodzakelijk is. Het is weliswaar maatschappelijk geaccepteerd dat we vlees willen eten, maar niet strikt noodzakelijk en er zijn alternatieven mogelijk. In de landbouw hebben dieren echter nog een brede doelstelling die boven vlees alleen uitgaat. Je zou kunnen redeneren dat je niet meer koeien in de landbouw wilt houden dan je nodig hebt voor de mest en de instandhouding van bodemvruchtbaarheid.

Het houden van varkens of primaten voor enkel orgaanproductie is een veel smallere doelstelling en louter voor de mens. Alleen een zienswijze die de mens belangrijker vindt dan dieren zal er geen bezwaren tegen hebben om dieren te beschouwen als vlees- of orgaanfabrieken. Maar dat stelt de mens nog niet vrij van het zoeken naar alternatieven. Vanuit een grondhouding die uitgaat van respect voor de intrinsieke waarde van dieren en die dieren niet automatisch ondergeschikt ziet aan de mens, zou het ontwikkelen van alternatieven (bijvoorbeeld kunstorganen) veel sterker gestimuleerd moeten worden.

Ir. Edith Lammerts van Bueren, Louis Bolk Instituut

Geen draagvlak
Ik denk niet dat het zinnig is om het houden van primaten voor de vleesproductie überhaupt te overwegen. In Nederland, in West-Europa, zal men geen apenvlees willen eten, net zo min als dat men katten- of hondenvlees eet. Er is maatschappelijk-emotioneel geen enkel draagvlak voor dit nieuwe product.

Dit geldt in Europees verband ook voor dierproeven met primaten. Die zijn alleen acceptabel als er geen alternatieven zijn voor de proeven met de betreffende diersoorten.

Ir Rob Tazelaar, voorzitter Productschappen Vee, Vlees en Eieren

Tussenbalans ethiekdiscussie

Het verraderlijke moeras van ingewikkelde argumenten pro en contra

LTJournaal nr 15 05-11-1998
Ethiek is niet alleen een subjectief gevoel. Over normen en waarden valt te praten. Tegelijkertijd bestaan er inmiddels zoveel geaccepteerde normen en waarden dat een allesomvattende moraal onmogelijk lijkt geworden. LT Journaal voelt al een jaar lang deskundigen aan de tand over specifieke casussen. Hun uiteenlopende meningen laten zich moeilijk onder één noemer vangen. Misschien, zo oppert redacteur Simon Vink in een tussentijdse balans, is er behoefte aan een spoorboekje om ethische discussies te structureren.

Bij volstrekte pluriformiteit in opvattingen, normen en waarden is het hard nodig dat gezocht wordt naar een gemeenschappelijke moraal. Tegelijkertijd is dat een onmogelijke opgave. Dat was een van de conclusies van het boek 'Onherstelbaar verbeterd - Biotechnologie bij dieren als moreel probleem' van Frans Brom, eerder dit jaar in LT Journaal.

Een stuk of wat casussen later is het tijd voor een tussenbalans van de ethiekdiscussie. Opmerkelijk is het pragmatisme van de deelnemers aan de discussie. Waarom bijvoorbeeld geen apenvlees consumeren of apenorganen gebruiken om doodzieke mensen te helpen? Omdat er andere mogelijkheden zijn, omdat het de veehouderij in een slecht daglicht zet, omdat we niet nòg een diersoort aan de intensieve veestapel moeten toevoegen. Dat waren, gechargeerd samengevat, de argumenten. Slechts de zoöloog prof dr Jan Osse wees op de nauwe relatie van homo sapiens met pan troglodytes, de chimpansee.

In Zuidoost-Azië en Afrika worden apen echter gewoon opgegeten. In het grootste primatencentrum van Europa, dat van TNO, leiden tientallen met nare ziekten geïnfecteerde chimpansees een onnatuurlijk bestaan. Ons idee dat we onze 'neven' niet mogen oppeuzelen is dus licht hypocriet en cultureel bepaald.

Het feit dat de zoöloog Osse op de nauwe verwantschap wijst is niet verwonderlijk. Hij weet dat die verwantschap natuurwetenschappelijk is aan te tonen. Dat brengt ons op een statement van prof. dr Marjan Margadant, hoogleraar natuur- en milieu-educatie, aan het begin van de ethische discussies: mensen weten weinig van natuur en milieu en om ze tot meer respect en minder dédain te brengen is het nodig om ze meer kennis bij te brengen. Immers, zo stelde ze, meer weten is meer zien.

Tegelijkertijd betekent meer weten ook meer verschillende aspecten aan een casus onderscheiden. Varkens worden steeds meer beschouwd als dieren met complexe sociale structuren, en niet alleen als in modder wroetende knordieren.

Werkgelegenheid
Dat weten we nu, maar miljoenen mensen willen betaalbaar varkensvlees en honderd-
duizenden vinden hun werk direct of indirect in de varkenshouderij. Dat weten we nu ook. En de voorzitter van de productschappen voor Vee, Vlees en Eieren wees op het ethische aspect van de werkgelegenheid. Het houden van apen moet dus niet, maar de varkens dan...?

De pluriforme Nederlandse samenleving laat zich voorstaan op een tolerante houding ten opzichte van tal van meningen en opvattingen. Belangen-
verstrengelingen maken een zorgvuldige afweging van goed en kwaad, aanvaardbaar en onacceptabel, tot een operatie in een schimmig gebied. Dat toonde eigenlijk ook de discussie over veenweideperikelen aan. Mensen willen er wonen, veehouders willen er boeren, transporteurs willen er wegen en spoorlijnen en de stedeling wil er frisse lucht en het idee van vrije natuur opsnuiven. En op basis van wetenschappelijke waarnemingen weten we dat het gebied inklinkt, verzakt, verschraalt en op de lange duur onbruikbaar wordt voor welke functie dan ook.

Dat is echter geen moreel probleem, stelde de ethicus prof. dr Egbert Schroten. Bij morele uitspraken, doceerde hij in LT 12, gaat het om het vaststellen wat mensen doen, wat ze behoren te doen en wat ze niet behoren te doen. Wie is verantwoordelijk voor de teloorgang van de veenweidegebieden, een uitermate kunstmatig landschap? Je hoort hem denken: als iedereen een beetje verantwoordelijk is, dan behoeft niemand zich helemaal verantwoordelijk te voelen.

De discussie in LT Journaal heeft duidelijk gemaakt dat er diep en doorvoeld kan worden nagedacht over talloze problemen, maar dat er tegelijkertijd in de Nederlandse tolerantiecultuur niemand is die wil voorschrijven. En mensen willen al helemaal niet dat de overheid op dit terrein het voortouw neemt.

Er zijn casussen te bedenken die sterkere ethische dilemma's aan de orde stellen en tegelijkertijd is te bedenken dat ook daar geen eenduidig antwoord is te verkrijgen. Mag je mensen inzetten, tegen een financiële vergoeding en bij hun volle verstand, om medicijnen te testen? Zolang zij weten wat de risico's zijn natuurlijk wel, ben je geneigd te denken. Maar wat als blijkt dat sociaal-economisch zwakke groepen deze mogelijkheid gebruiken om het hoofd boven water te houden. Dan komt die keuzevrijheid in een ander daglicht te staan. Maar wat dan als je ze die laatste strohalm ontneemt zonder eerst hun financiële armslag te verbeteren - hoe ethisch is dat? En daar dient zich het verraderlijke moeras van ingewikkelde argumenten pro en contra weer aan.

Krantenlezers
Waarom is het dan toch zinnig om na te denken over het gebruik van herbicideresistente gewassen, zoals in het volgend LT aan de orde komt. Wellicht alleen al omdat de Wageningse ingenieurs behoren tot de selecte groep die in staat geacht mag worden om met kennis van zaken afwegingen te maken. Ze moeten hun afwegingen helder op tafel kunnen leggen en zich kunnen losmaken van de korte termijnbelangen van hun werkgever of sector. Dat al die kennis uiteindelijk een intellectuele rijstebrijberg wordt, een onoverzichtelijk oerbos waarin de argeloze krantenlezer geen bomen meer ziet, moet niet zomaar op de koop toe worden genomen.

Dialoog
Er moet nagedacht worden over een manier om argumenten te wegen binnen de Nederlandse of Europese culturele context. Een soort ketendenken zoals in de industrie wordt ontwikkeld, maar dan voor ethisch-maatschappelijke vraagstukken. In feite pleitte ook ir Edith Lammerts van Bueren daarvoor in haar eerste bijdrage, toen ze stelde dat ethiek niet alleen subjectief is. Ethiek, zei ze, gaat om een grondhouding, een manier van denken die onder woorden is te brengen. ,,Je kunt er met elkaar over in dialoog treden.''

Daarbij mogen, kunnen en misschien ook moeten ongrijpbare argumenten als opdrachten voor rentmeesterschap worden ingecalculeerd. De mens is nu eenmaal met al zijn wetenschappelijk en technische instrumenten in staat om te beslissen over het lot van alle andere organismen op deze blauwe planeet. In het feit dat de mensheid zichzelf bovenaan de natuurlijke ordening plaatst, zoals Osse eerder in LT stelde, is geen groot verschil te vinden met de andere soorten. Elke soort, plant of dier, wil koste wat het koste zelf overleven. Zelfs het vergiftigen van de leefomgeving van andere soorten is geen uniek menselijk karaktertrekje. Wel uniek is de mogelijkheid om te besluiten andere soorten niet uit te roeien, andere soorten levensruimte te gunnen. Dat irrationele trekje kan in het proces van wikken en wegen worden meegenomen.

In de tussentijd hebben we misschien die herbicidetolerante rassen, waarover de volgende casus gaat, hard nodig om biologisch verantwoorde teeltsystemen te ontwerpen. Want niemand wil terug naar een situatie waarin de Drentse boer uit één gezaaide korrel graan er slechts drie kan oogsten, omdat ziekten en plagen in de uiterst schone landbouw de oogst decimeren.

Simon Vink


Geïntegreerde onkruidbestrijding met herbicide-tolerante rassen 

LT Journaal nr 15 05-11-1998
Casus
Sinds eind jaren tachtig heeft het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in beleidsnota's vastgesteld dat in de landbouw duurzaamheid, veiligheid en rendabiliteit kernbegrippen dienen te zijn en dat de rol van chemische bestrijdingsmiddelen moet worden teruggedrongen.

Dat geldt ook voor de onkruidbestrijding, waarbij relatief veel middelen worden ingezet. Expliciet wordt aanbevolen om selectieve middelen te ontwikkelen en te gebruiken. Middelen die uitsluitend aangrijpen op schadelijke organismen, zonder het cultuurgewas of onschadelijke organismen aan te tasten.

Veel middelen zijn nog steeds onvoldoende selectief en worden preventief toegepast, vóór het inzaaien of opkomen van het gewas. Op een moment dus dat onduidelijk is of andere vormen van onkruidbestrijding, bijvoorbeeld mechanische, toe te passen zijn.

De introductie van selectieve herbiciden, in combinatie met herbicidetolerante rassen, maakt het mogelijk af te zien van preventieve onkruidbestrijding en over te gaan op geïntegreerde bestrijding. Aan de hand van schadedrempels wordt de noodzaak van al dan niet ingrijpen vastgesteld. De boer kan vervolgens een keuze maken uit chemische- en niet-chemische methoden van onkruidbestrijding. Hij heeft die keuze, omdat zijn gewas het inzetten van herbiciden verdraagt.

De markt vraagt om gewassen waar bij de teelt weinig chemische middelen zijn gebruikt. De overheid kan aanvullend beleid ontwikkelen om de inzet van chemische middelen verder terug te dringen. Het is dus onzin te veronderstellen dat herbicideresistente rassen een ongebreidelde inzet van herbiciden zullen bevorderen. Die veronderstelling onderschat het ondernemerschap van de moderne boer. In de Verenigde Staten en Canada blijkt al dat herbicidegebruik significant is afgenomen door het gebruik van herbicidetolerante gewassen.

De bestrijdingsmiddelen die horen bij deze nieuwe gewassen moeten gewoon voldoen aan de aangescherpte normen van de bestrijdingsmiddelenwet. Ook de genetische gemodificeerde rassen moeten aan tal van voorschriften voldoen. Er is in de landbouw geen technologie waarvoor zoveel regelgeving bestaat als juist de genetische modificatie.

De inzet van herbicidetolerante rassen maakt het mogelijk om het herbicidegebruik drastisch te reduceren. Deze technologie kan binnen de kaders van het Meerjarenplan Gewasbescherming tot een trendbreuk leiden. Binnen een ondernemende en renderende landbouw wordt onkruidbestrijding dan ook uitgevoerd met respect voor natuur, de markt en de consument.

Dr ir Orlando de Ponti, Nunhems Zaden

Deze casus is niet in LT Journaal door het panel van commentaar voorzien.

LEVE DE PRODUCTIE! 

Deze casus is niet in LT Journaal gepubliceerd vanwege het onvoldoende beschikbaar zijn van menskracht bij de redactie voor interviews met het panel.

Casus
Een multinational levensmiddelenconcern dreigt in grote moeilijkheden te geraken door initiatieven van Nederlandse natuur- en dierenberschermingsorganisaties. Deze hebben aan het licht gebracht dat een Nederlandse dochter van het concern transgeneseonderzoek bij vis en pluimvee financiert in resp. Japan en België. Doel van het onderzoek is productieverhoging bij deze dieren. Het onderzoek – daarover is iedereen het wel eens – zit goed in elkaar en het is in de ogen van ethologen en veterinairen methodologisch baanbrekend in zijn opzet naar ongewenste gezondheids- en welzijnseffecten. De Nederlandse dochter wilde aanvankelijk het onderzoek in Nederland uitbesteden maar de concernleiding verhinderde dit met het oog op het restrictieve toelatingsbeleid hier te lande en het onvermijdelijke polemische debat dat de genoemde organisaties in de loop van de toelatingsprocedure zullen organiseren.

Niettemin zijn de organisaties toch een publiciteitscampagne begonnen waarin het concern moreel verwerpelijk gedrag wordt verweten omdat het de integriteit van dieren schendt in experimenten welke de strekking hebben transgene dieren later in productie te nemen. Zij eisen derhalve de onmiddellijke stopzetting van de experimenten. Acties worden in het vooruitzicht gesteld wanneer niet aan de eis wordt voldaan. Het is de bedoeling een Europese kopersstaking uit te lokken voor de belangrijkste producten van het concern. Inmiddels zijn ook Kamervragen gesteld aan de minister van LNV. De minister wordt gevraagd of hij de mening deelt dat het concern zich schuldig maakt aan moreel verwerpelijk gedrag en zo ja wat hij daaraan denkt te kunnen doen. Voorts wordt zijn oordeel over de toelaatbaarheid van de boycotactie gevraagd en of hij voornemens is te interveniëren.

Het concern voldoet aan alle wettelijke eisen in Nederland, België en Japan en men heeft bij de voorbereiding van de experimenten de betrokken departementen in de landen volledig maar zeer vertrouwelijk (op het hoogste ambtelijke niveau) geïnformeerd over aard en strekking van de experimenten.

Er zijn ook contacten geweest tussen de dochteronderneming en genoemde organisaties. Over en weer zijn standpunten uitgewisseld en allen hebben deze ook in de media naar voren gebracht en toegelicht. Alle partijen kwalificeren het gevoerde overleg als één tussen doven.

De directeur van de holding is met u bevriend en hij vraagt u om wijze raad. Hij vraagt u in dit verband op de volgende overwegingen te reageren.

Wat hier in Nederland door de genoemde organisaties als moreel verwerpelijk wordt geoormerkt is dat volstrekt niet in andere beschaafde landen. Natuurlijk, welzijn en gezondheid moeten worden gerespecteerd en daarom ook dit mooie onderzoek. Maar het louter veranderen van dieren is toch niet zonder meer verwerpelijk? je kan toch niet louter op grond hiervan een bedrijf ruïneren? Wanneer behoort de moraal van de één ook de moraal van de ander te zijn?

In Nederland geldt een restrictief toelatingsbeleid voor het maken van transgene dieren en in andere landen niet. Stel nu dat het onderzoek in Nederland zou zijn uitbesteed en dat de wettelijke toelating succesvol zou zijn verlopen. De concernleiding was van oordeel dat ook onder die omstandigheid de maatschappelijke kritiek desondanks zou opkomen en dat genoemde organisaties ook dan een kopersstaking zouden organiseren. Wat stelt zo’n wettelijke toelating dan eigenlijk nog voor? Wat is dan nog het morele gezag van de staat? Hier herhaalt zich toch gewoon de Brent Spar affaire van Shell? Die had toch ook toestemming van de Engelse regering om de boortoren af te laten zinken en bleek later ook niet dat het vanuit milieuperspectief een goede en verdedigbare beslissing was? Had zijn bedrijf niet veel beter meteen naar de maatschappelijke organisaties kunnen stappen?

De reactie van zijn dochter van veertien baart hem eigenlijke nog de meeste zorgen. Hij kan niet omgaan met haar verdriet en het verwijt dat hij maar steeds van die brede afwegingen zit te maken waarin alles en nog wat wordt opgevoerd maar ondertussen op geen enkele wijze kleur bekent over zijn persoonlijke verhouding tot dieren. Ze verwijt hem een "view from nowhere".

Mr drs Jan Staman, ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij


We moeten elkaar af en toe aan het jasje trekken: hé er zijn ook nog anderen’

LTJournaal nr 1 14-01-1999
Bestaan er wel ethische dilemma’s in de beroepspraktijk van de ingenieur, of gaat het alleen maar om praktische problemen? Die vraag legde de Commissie Ethiek van KLV op 21 december voor aan de bio-ethicus prof dr Egbert Schroten. LT Journaal was erbij.

Is er wel een ethisch dilemma? Een fraaie vraag zo vlak voor de Kerst. Het midwinterfeest dat in de vaderlandse christelijke cultuur toch vooral wordt gewijd aan reflectie. De Commissie Ethiek van KLV had op 21 december een bijeenkomst belegd om de hoogleraar ethiek prof dr Egbert Schroten te ondervragen over diens ontwijkende antwoorden in de verschillende artikelen die LT publiceerde over ethische of morele dilemma’s in de beroepspraktijk van de Wageningse ingenieurs.

"Is er wel een ethisch dilemma? Kunnen we een mal krijgen die over problemen is te leggen en die een heldere uitkomst geeft? Bestaat er wel zoiets?", vraagt commissievoorzitter Katrien de Vos aan Schroten.

Schroten peinst. "Ik ben me ervan bewust dat sommige van mijn antwoorden op ontwijkgedrag zouden kunnen duiden. Het gaat er echter om een probleemstelling heel scherp te formuleren. Ik bedoel: voor een beoordeling van een mogelijk moreel of ethisch probleem moet je de feiten goed kennen. Die feiten vormen het gereedschap van de toegepaste ethiek. Als ik geen feiten heb, mis ik mijn gereedschap. Dan zou ik eigenlijk moeten verzuchten: ‘Oh god help me to keep my big mouth shut, till I know what I’m talking about. Daarbij, zegt Schroten, zijn sommige problemen in deze samenleving niet langs één lijn te duiden: er is een pluriformiteit van opvattingen. Hoewel hij vindt dat in de tussenbalans van de discussie in LT, wat te veel de nadruk is gelegd op die pluriformiteit. "We kunnen, ook in een pluriforme samenleving, wel degelijk tot een opinio communis komen over wat in bepaalde situaties wel en niet is toegestaan."

Belangen
De toelichting van Schroten stelt voorzitter De Vos gerust, want ze vreesde even dat een ethisch debat geen enkele zin zou hebben. Dat, zegt Schroten, was in ieder geval niet de bedoelde uitkomst van zijn opmerkingen. "Voordat ik mijn net uitsteek als ethicus, en daartoe ben ik best bereid hoor, wil ik de materie uitvoerig kunnen bestuderen. Wat zijn de feiten. Op terreinen van genetische modificatie, maar ook in de medische hoek, ben ik inmiddels, door mijn werk in tal van commissies met deskundigen uit die werelden, redelijk op de hoogte. Maar als het gaat om bodemverzakking, broeikaseffect of zeespiegelstijging, dan weet ik er onvoldoende van. Al stel ik vast: het speelt ergens, want anders was het niet aan de orde gesteld. Ik wil dan ook heel graag weten welke belangen er spelen."

De Vos, freelance consultant landbouwethologie en ondermeer landelijk voorzitter Nederlandse Vereniging van dierexperimentencommissie van de Universiteit van Maastricht, was juist erg gecharmeerd van de casus over bodemverzakking in LT, omdat het daarbij gaat over de toekomst van Nederland; over de nieuwe generaties, die als gevolg van ‘onze activiteiten’ hier straks wellicht niet meer kunnen wonen.

Dat kan Schroten zich goed voorstellen, maar dat neemt niet weg dat voor een ethisch oordeel de feiten goed op een rijtje gezet moeten worden. "Kijk, bij de biotechnologie weet ik hoe de wieltjes draaien. In dit soort gevallen dus niet. Als het alleen om ethische theorievorming gaat, kun je rustig achterover leunen en de zaak tot je nemen. Dan kun je komen tot een elegante brede theorie. Als het echter gaat om knopen doorhakken, moet je gefundeerd te werk gaan, met mensen praten en alle feiten tot je nemen."

Commissielid ir Abbo de Wit, voormalig adjunct-directeur AB-DLO, vraagt zich af hoe je de lijn vaststelt waarlangs je zo’n discussie voert. Langs welke wegen kom je tot een consensus over wat moreel wel en niet aanvaardbaar is?

Schroten zegt dat het bij het vaststellen van beleidsadviezen belangrijk is je te realiseren dat de moreel meest juiste beslissing niet altijd de wijste is. Soms gaat het om gevoel, gekoppeld aan ervaring. "Een timmerman die een zolder moet verbouwen, kijkt ernaar en vraagt zich af: ‘Wat is wijsheid?" Het is belangrijk om je dat te realiseren voordat je je gaat afvragen welke procedures je moet volgen, aldus Schroten.

Eén van de zaken die in dergelijke procedures aan de orde gesteld moeten worden, is de vraag hoe ons handelen van nu van invloed is op de volgende generaties; we moeten ons realiseren dat er dingen zijn die nu plaatsvinden, maar waarvan de gevolgen pas over veertig of vijftig jaar aan het daglicht treden.

Voorzitter De Vos vindt het belangrijk om dat te herkennen en vervolgens te erkennen dat de ingenieurs er zelf op aangesproken moeten kunnen worden. De Wit ziet wel als probleem dat de achterban van de ingenieur, het bedrijf of de beleidsorganisatie, het vaak niet op prijs stelt dat de ingenieur in een breed verband uitspraken doet die niet stroken met het gevoerde of vermeende corporate belang.

Validiteit
Schroten plaatst enkele kanttekeningen bij de validiteit van dat soms algemeen gevoelde corporate belang. "Het onderzoek waarin het meeste geld omgaat en waarvoor grif wordt gegeven, is het kankeronderzoek. In kleine kring wordt inmiddels gewoon toegegeven dat het gevecht tegen kanker alle karaktertrekken heeft van een lost war. En dat die gigantische onderzoeksinspanningen heel weinig hebben opgeleverd. Veel mensen weten dat niet, maar bij de Koninklijke Akademie voor Wetenschappen weten ze dat natuurlijk wel. Het is dus goed om zoiets vast te stellen, al zullen de wetenschappers dat niet zeggen. Tegelijkertijd hoeft dat helemaal niet te betekenen dat je stopt met dat onderzoek. Zeker niet."

Het gaat er dus om evenwichtig, helder en breed relevante feiten en belangen aan te dragen zonder daaraan direct een waardeoordeel te verbinden. In de discussie die dan kan volgen, kan worden gestreefd naar een consensus, waarbij aan alle belangen zoveel mogelijk recht wordt gedaan. In Nederland, denkt Schroten, lukt dat vrij aardig. Hier is bijvoorbeeld jarenlang, in tal van praatcircuits, gedebatteerd over genetisch gemodificeerde producten in voedingsmiddelen. De verschillende organisaties zijn dus inmiddels redelijk on speaking terms. Dat werd duidelijk toen de richtlijnen voor het etiketteren van producten in de EU werden aangenomen: in Nederland leidde dat tot een klein stukje in de krant, maar in Duitsland openden de kranten ermee. "Hier was dus, ondanks de vermeende polarisatie, al een behoorlijk draagvlak, zonder dat alle partijen dezelfde opvattingen huldigden."

"We moeten, ook in de beroepspraktijk, elkaar af en toe aan het jasje trekken: hé, let op, er zijn ook nog anderen. Dat zou al enorm helpen."

Simon Vink

De ethiek rondom grote grazers in natuurgebieden

Een boerensloot is meer natuur dan een asfaltweg

LTJournaal nr 11 20-8-1998
Mogen je runderen en paarden in natuurgebieden gewoon aan hun lot overlaten? Neen, roept de Dierenbescherming, dat is dierenmishandeling. Ja, roepen de natuurontwikkelaars, dat is nu eenmaal inherent aan zelfregulering en bovendien is de een zijn dood de ander zijn brood. Filosofen van de leerstoelgroep Toegepaste filosofie van de Landbouwuniversiteit hebben de argumenten op een rij gezet. Ze pleiten voor een graduele benadering.

In de Millingerwaard, een natuurgebied bij Nijmegen, liep een hengst rond die door een concurrent was gebeten. De wond was gaan ontsteken. Kan gebeuren. Pech. De hengst maakte onderdeel uit van een kudde Koniks, paarden met wilde eigenschappen. Ze zijn uitgezet om in het gebied een min of meer natuurlijke begrazing na te bootsen. De kudde moet zichzelf in stand zien te houden. En dan gaat er wel eens wat mis.

In het dichtbevolkte Nederland is dat besef geen gemeengoed. Het regende dan ook telefoontjes bij de beheerder van de Millingerwaard. Murw van de publieke aandacht en bevreesd voor negatieve publiciteit haalde hij er een dierenarts bij, hoewel dat in strijd is met de oorspronkelijke bedoelingen. De pogingen om het dier te verdoven leken te slagen, totdat de kudde ging lopen. De hengst ging mee, hobbelde de rivier in en verdronk. Vermoedelijk was de zweer vanzelf beter geworden.

In het rapport 'Goede tijden, slechte tijden' van de leerstoelgroep Toegepaste filosofie vertelt een beheerder van de Millingerwaard dit verhaal om het dilemma tussen ingrijpen en niet-ingrijpen te verduidelijken. De Wageningse filosofen onderzochten op verzoek van het ministerie van Landbouw de ethiek rondom grote grazers.

Wildroosters
Een kleine twintig jaar alweer wordt in Nederland 'natuurontwikkeling' gepleegd. Grote gebieden, met name in de buurt van de grote rivieren, worden teruggegeven aan de natuur. In het drukbevolkte land zijn echter de grote grazers verdwenen, op een enkel edelhert of damhert binnen de wildroosters van de Veluwe na. Gewoon beheer achterwege laten in bijvoorbeeld uiterwaarden leidt onder die omstandigheden tot bos. Weliswaar natuurlijk, maar niet oorspronkelijk. Daarom wordt al jaren geëxperimenteerd met het inzetten van runderen, paarden, schapen en geiten, die door hun begrazing zorgdragen voor een oorspronkelijker omgeving.

De dieren zijn of worden gededomesticeerd: ze moeten weer leren om zichzelf te redden. Dat betekent dat zieke dieren òf beter worden, òf sterven. Dat betekent dat in een strenge winter een deel van de populatie het loodje legt. En dat betekent dat jonge dieren soms in de verdrukking komen.

In een land met een hoog percentage aan dierenambulances per hoofd van de bevolking is zoiets vragen om heftige debatten. En zo ontstaat een debat tussen doven. Dierenbeschermers en boeren wijzen op het welzijn van het individuele dier, natuurbeschermers op het welzijn van de populatie en op dat van aaseters.

Eigenaar
Het probleem waarmee de natuurontwikkelaars worden geconfronteerd is deels ook juridisch van aard. Volgens de welzijnswet uit 1992 is iedereen verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen. Een nogal brede verplichting die niet nader wordt gespecificeerd, maar in de praktijk lijkt zij vooral betrekking te hebben op hulpbehoevende dieren die iemand toebehoren. Met andere woorden: een eigenaar moet goed voor zijn dieren zorgen. Geïntroduceerde dieren behoren iemand toe, dus strikt juridisch gezien moeten de terreineigenaren voor de dieren zorgen.

In de Kamer heeft de vorige landbouwminister, Jozias van Aartsen, al eens verklaard dat hij niet-ingrijpen in natuurlijke processen niet strijdig acht met het wetsartikel. En landbouwstaatssecretaris Gabor verklaarde bij de behandeling van de wet in 1992 in de Eerste Kamer dat 'een individuele zorgplicht in de natuur volstrekt ondenkbaar is'.

Jurisprudentie over deze wet ontbreekt echter nog. Kan een eigenaar zich aan de wet onttrekken door te stellen 'Gaat heen en verwildert u!'? Zijn de halfwilde Konik - een primitief paardenras uit Polen - en het Heckrund - een via terugkruising nagebootst oerrund - dieren in gevangenschap of wilde dieren, net als reeën?

Lijden
De Wageningse filosofen concentreren zich begrijpelijkerwijs in hun rapport niet op het juridisch dispuut. Het gaat hen om het ethische vraagstuk. De auteurs vinden weinig aangrijpingspunten in de theorieën van de Australiër Peter Singer. Hij bestreed de traditionele opvatting, zo meldt het rapport, dat aan de mens op grond van unieke vermogens als denken of spreken een verheven morele status moet worden toegekend. Dit zou immers als consequentie hebben dat pasgeborenen en geestelijk gehandicapten geen morele consideratie behoeven. De eisen voor toelating tot de morele gemeenschap dienen dus te worden aangepast en worden gevonden in het zogenaamde utilisme: The question is not can they reason? Nor can they talk, but can they suffer? Een criterium dat strikt genomen alle gewervelde dieren tot de morele gemeenschap lijkt toe te laten, al blijft de vraag naar een concrete definitie van lijden manifest aanwezig.

Binnen de opvattingen van Singer lijkt het volstrekt onaanvaardbaar om met verwilderde runderen op een beperkt areaal te experimenteren. Tegelijkertijd ontkent de theorie de behoefte, het plezier of de innerlijke drijfveer van de runderen om in dergelijke verwilderde 'natuurlijk' omstandigheden te leven.

Bijvoeren
De dierenrechtenfilosoof Tom Regan betoogde in 1983 dat dieren niet als middel moeten worden gezien, maar als doel in zichzelf moeten worden behandeld. Regan meende dat het centraal stellen van de rechten van individuele dieren vanzelf de biotische gemeenschap die de dieren vormen zou beschermen. Hetgeen in natuurgebieden niet waar blijkt; het bijvoeren in barre tijden of het helpen van zieke dieren leidt immers tot een onverantwoorde groei van de populatie en tot vernietiging van de biotische gemeenschap. Bovendien, zo voert een beheerder van een natuurontwikkelingsproject retorisch aan, moet je een ziek rund afvoeren naar het slachthuis, met alle stress van dien, of gewoon in een bosje laten sterven?

Het antwoord op die vraag is wellicht, zij het omstreden, te vinden bij de eco-ethici. De grondlegger van deze benaderingswijze is de Amerikaanse bosbouwer en wildbeheerder Aldo Leopold. Hij bepleitte al in 1940 respect voor alle dieren en planten, maar ook voor de gemeenschap als zodanig. ,,A thing is right when it tends to preserve the integrity, stability, and beauty of the biotic community. It is wrong when it tends otherwise.''

Ruilmiddel
Deze theorie werd uitgewerkt en leidde tot een holistische visie op de natuur. Het rapport vat die samen in een citaat van de filosoof Baird Callicott: ,,Energie, het ruilmiddel van de natuurhuishouding, stroomt van het ene naar het andere organisme, maar gaat daarbij niet van hand tot hand zoals een muntstuk, maar circuleert als het ware van maag tot maag. Eten en gegeten worden, leven en sterven zijn de zaken die de biotische gemeenschap draaiende houden. Trofische (voedsel) asymmetrieën vormen de kern van de biotische gemeenschap. Dat lijkt onjuist, onrechtvaardig. Maar zo is de biotische gemeenschap nu eenmaal georganiseerd.''

Callicott moet overigens niets hebben van de pre-occupatie van dierethici met huisdieren. Hij noemt ze, zo meldt het onderzoeksrapport, sprinkhanen met hoeven en een grotere bedreiging voor de natuur dan de 'four-wheel-drive off-road vehicles. Callicott voelt al met al weinig voor een zorgplicht voor individuele dieren en noemt het streven daarnaar een bewijs van de ecologische ongeletterdheid van de dierethici.

Dat de verhoudingen tussen de ecologisch georiënteerde ethici en de dierenbeschermingsethici op scherp staan, ook op theoretische gronden, is dus wel duidelijk. En dat blijkt ook uit de talloze debatten over het introduceren van de grote grazers in natuurgebieden.

In hun rapport kiezen de filosofen geen positie. Ook al omdat de bovengenoemde posities twee uitersten zijn: een scherpe tweedeling tussen natuur en cultuur doet geen recht aan de enorme grijze tussenzone. Ze pleiten, zeker in de Nederlandse situatie, voor het denken in graden, voor een hybride middengebied, waarbij recht gedaan wordt aan het 'dynamisch karakter van de dedomesticatie.' Met kennelijke instemming wordt auteur Koos van Zomeren geciteerd over het begrip natuur. Dat begrip is in Nederland lastig hanteerbaar, maar ,,een zomertaling is meer natuur dan de muskusrat, een muskusrat is meer natuur dan mijn hond, mijn hond is meer natuur dan ik en ik, nou ja, ik ben toch nog altijd meer natuur dan mijn schrijfmachine. (...) Het verschil tussen een boerensloot en een asfaltweg is een levende salamander.''

Hoewel het laten verwilderen van runderen en paarden in de ogen van de auteurs een ongewis experiment is, moet het toch maar plaatsvinden. Zij het nauwkeurig gevolgd en begeleid. En het grote publiek moet leren dat niet elke afwijking van het manegepaard duidt op verwaarlozing. In een land met een hoge dichtheid aan dierenambulances kan dat nog wel eens een flinke klus zijn.

Simon Vink


Ethisch handelen: een principe van voorzorg   

Wagenings Alumniblad nr 2 18-06-1998
Wat is de overeenkomst tussen biologisch-dynamische en genetisch gemanipuleerde produkten? Beide ontberen een vragende markt. Waarin verschillen zij? BD-produkten komen ondanks de sympathie van vele consumenten met moeite en genetisch gemanipuleerde produkten komen ondanks de weerzin van vele consumenten zondermeer op de markt. Kunt U het nog volgen? Ik niet. Het wordt nog onbegrijpelijker wanneer ik in de krant lees dat een verliesgevend bedrijfje voor de produktie van genetisch gemanipuleerde gewassen, vorig jaar ineens, voor ruim één miljard gulden werd gekocht. Ook de overheid liet zich niet onbetuigd. In het verleden gaf zij bijna één miljard uit om genetische manipulatie te promoten of om daarover onderzoek te laten doen. Rendabele, milieu-, dier-, landschaps- en natuurvriendelijke biologische bedrijven, daarintegen hebben grote moeite om door overheid, industrie, handel, onderzoek of bankwezen serieus genomen te worden.

Met de dichter Lucebert vraag ik mij af waarom is "alles van waarde zo weerloos?". Wat is dat toch dat wat iedereen goed vindt, geen kansen krijgt? Waarom worden de goede boeren die weigeren mee te doen aan de oormerken, kapot gemaakt? Gebeurt dat omdat de zovelen die hun dieren onvriendelijk behandelen, in ‘de hand moeten worden gehouden?’ Waarom lijkt het erop dat alles wat in de landbouw abnormaal is, gewoon wordt gevonden? Onderzoekers in de biologische landbouw bijvoorbeeld moeten eerst bewijzen dat hun systemen geen schade opleveren voor milieu, natuur of dierenwelzijn. De abnormale, gangbare landbouw fungeert daarbij als referentie.

Op zoek naar een antwoord moet ik eerst iets zeggen over de achtergrond van mijn verbazing. Daarna zal ik laten zien op welk spoor mijn christelijk-ecologisch georiënteerde kijk op mens en wereld, mij perspectief bood om ethisch verantwoord te kunnen handelen. Ik hoop daarmee duidelijk te maken hoe ik als landbouwkundige een ethisch verantwoorde grondhouding in mijn werk integreerde. Uit de inleiding mag worden afgeleid dat ik een en ander illustreer aan de hand van de problematiek rondom genetische manipulatie.

Genetische manipulatie wordt, of we dat nu willen of niet, iets heel gewoons. Als je er echter bang voor bent, ontstaat de vraag hoe je daarmee moet omgaan. De voorstanders van genetische manipulatie verwijten de tegenstanders ervan dat zij niet goed weten wat zij is. Zij zeggen dat die mensen ‘emotioneel’ reageren. Die redenering stelt mij om twee redenen, niet gerust. Ten eerste lijkt emotionaliteit zoals uitingen van gevoelens, niet te mogen. Dat is vreemd, omdat emotie in ons leven de belangrijkste impuls is voor samen leven. Vreemd ook, omdat emotie de basis is, van elke strategie gericht op marktontwikkeling (denk maar aan reclame’s). Ten tweede lijken de voorstanders te suggereren dat alleen wetenschappelijk bewezen inzichten normen voor goed of kwaad kunnen leveren. Ik denk dat dat niet juist is. Ik heb zelf een gedegen moleculair-biologische opleiding op universitair niveau en ik weet precies wat genetische manipulatie is. Toch ben ik er bang voor. Mijn angst komt voort uit kennis. Ik weet namelijk dat genetische manipulatie in de praktijk neerkomt op zeer beperkt kijken. Immers, het resultaat van alle onderzoek over moleculaire genetica tendeert naar beheersbaarheid en stuurbaarheid van erfelijke informatie. Hierdoor zien we ernstige vormen van niveauverlaging ontstaan in de omgang met de levende natuur. Mensen worden opgevat als intelligente dieren. Dieren beginnen we te benaderen als planten (klonen, embryo’s oogsten, monocultures) en planten beschouwen wij als een klomp atomen, waarin slechts schei- en natuurkundige processen een rol spelen. Nog lagere organismen zien we als mineraal: je maakt er gebruik van. Wij lijken ze geen recht op een eigen ecosysteem te geven.

Naar mijn mening heeft de mens de taak om de aarde te verzorgen. Hij moet dat zo doen dat alle opties voor een autonome, doorgaande evolutionaire ontwikkeling van het leven op aarde open blijven. Het leven moet kunnen blijven beschikken over een zo groot mogelijk aantal vrijheidsgraden, teneinde zichzelf naar eigen doel, functie en aard te kunnen voegen naar veranderingen in de leefomgeving. Vanuit die visie tracht ik mij als rentmeester van de Schepping te gedragen. Daaruit vloeit voort dat mijn ethisch handelen wordt geleid door het principe van voorzorg. Bijvoorbeeld: "doe niet iets waardoor een dier lijdt" of: "zie af van de laatste kilogrammen aardappelen, als je weet dat je daarmee het land volledig uitput en daarmee afhankelijk wordt van synthetische chemicaliën". Maar hoe handel ik uit voorzorg wanneer zaken minder voor de hand liggen? Hoe weet je bijvoorbeeld wanneer je als boer, ondanks alle goede bedoelingen, onbewust toch bijdraagt aan verzieking van ons drinkwater? Het moeilijkst is het principe van voorzorg toe te passen bij het al of niet goedkeuren van experimenten gericht op genetische manipulatie van planten of lagere organismen, of bij het al of niet aanvaarden van genetisch gemanipuleerde produkten op de markt. Hoe weten wij bijvoorbeeld of een plant kan lijden of een embryo het vervelend vindt om ‘geoogst’ te worden?

Biologische boeren hebben mij op een spoor gebracht. Zij blijken zich niet alleen af te vragen hoe zij koeien voor hun eigen inkomen kunnen benutten, maar zij vragen zich met Koos van Zomeren, ook af "...en koe, wat zou jij willen...?" Dat was voor mij een inspirerende omkering van de huidige manier van denken in de landbouw. Vele boeren hebben mij laten zien dat de vraag aan de koe, maar ook aan elk ander leven op de boerderij, langs waarnemende weg kan worden beantwoord. In tegenstelling met de wetenschappelijke manier van ‘analyserend, uiteenrafelend kijken naar levensverschijnselen’, laten biologische boeren het levende in al zijn complexiteit intact en kijken naar ‘hun gebaar’. Als je dat bijvoorbeeld doet ten aanzien van het embryo dan gebeurt er iets heel bijzonders. Kijk maar. Onmiddellijk na de bevruchting ontwikkelt elke eicel een taai, biologisch ondoordringbaar vlies om zich heen. Dat vlies is zelfs bestand tegen agressieve chemicaliën. Wat zegt het zeer jonge embryo daarmee? Mij zei het simpel "...laat me met rust, ik kan even geen enkele invloed van de buitenwereld verdragen....". En wat doet de genetische manipulator precies op dat moment? Hij penetreert dat vliesje met een fijne glasnaald en beinvloedt de cel op een wel zeer brute wijze. Ik vond dat een voorbeeld van niet integer handelen. Geen mens haalt het in zijn hoofd om ongevraagd iemands huis binnen te treden. Als de deur dicht is en dicht blijft, ook na herhaald aanbellen, dan dringen wij niet binnen. Het werd mij ineens duidelijk dat zelfs in het leven van een celkern momenten zijn waarop zij lijkt te zeggen "....nee, nu heb ik even rust nodig om iets heel belangrijks te kunnen doen" en ".....ja, nu wil ik beinvloed worden; ik heb dat momenteel nodig". Is dat wetenschappelijke onzin? Zeker niet. Het blijkt dat er momenten zijn waarop het DNA zich helemaal oprolt en volledig afsluit van de omgeving. Er blijken ook momenten waarop het DNA zich volledig ontrolt, blootstelt aan invloeden uit de omgeving. In dat laatste geval vraagt het DNA om mutaties. Mutaties zijn nodig om de diversiteit van het leven tijdens haar evolutie te kunnen garanderen. Het gebaar van DNA lijkt dus op zich afwisselend afsluiten en blootstellen aan de omgeving. Dat moet een biologische betekenis hebben, ook al kunnen wij daar nu nog niets zinnigs over zeggen. Dat inzicht hielp mij te accepteren dat je als onderzoeker niet altijd gerechtigd bent alles met organismen te doen wat je wilt. Moreel handelen in het landbouwkundig onderzoek houdt voor mij dus in dat je organismen behoort te benaderen vanuit hun eigen aard en levensplan. Genetische manipulatie vind ik verwerpelijk wanneer dat gebeurt in momenten waarop een organisme aangeeft zich niet voor invloeden vanuit de omgeving te willen openstellen.

"Alles van waarde is zo weerloos", omdat DNA, planten, dieren, ecosystemen en aarde niet kunnen praten. Zij zijn afhankelijk van ons waarnemend vermogen en van de integriteit van ons handelen. Dat inzicht werkt als een mentale rem. Die wordt niet weggenomen door nog meer details over de materiële aspecten van genen, DNA, cellen of organismen. We hebben behoefte aan kennis over het levende in het leven, dus over fysiologische processen-in-actie. En wat doen wij in de levenswetenschappen? We doden het organisme of haar onderdelen eerst en analyseren vervolgens hoe het functioneerde toen het nog leefde. Wij zijn het gewoon gaan vinden dat onze kennis over het levende is ontleend aan dode of gestresste organisme. Ik ben van mening dat die kennis geen bijdrage levert aan inzichten over moreel, integer handelen.

Observerend waarnemen van levensverschijnselen leidde bij mij tot het inzicht dat alle leven zich lijkt te ontwikkelen naar steeds complexere organismen. Het virus zou zich tot een bacterie kunnen ontwikkelen. Planten tenderen misschien in de richting van een dierlijke ontwikkeling. Dieren groeien meer naar mensachtige kenmerken en een mens....? De mens evolueert op het niveau van zijn geest. Dat betekent dat wij zelf scheppers aan het worden zijn. Onze mentale vermogens zullen groeien. Maar wie over een ‘grote geest’ beschikt en zich tot een schepper gaat ontwikkelen draagt ook verantwoordelijkheid. Wie die macht heeft, behoort tot de elite van de Schepping. Dat houdt in dat je integer moet kunnen onderzoeken. Die gedachte laat mij het gevoel van verantwoordelijkheid voor al het levende om mij heen (nu en later) nog zwaarder drukken dan ik ooit als moleculair onderzoeker en later als ecoloog heb durven vermoeden.

Als KCW die vorm van ethiek zou weten in te bouwen in haar opvatting over landbouwwetenschappen, dan is de landbouw weer een beschaafde, mens en wereld dienende activiteit. Het normale wordt maatstaf, het abnormale verdwijnt en de landbouw wordt wat zij in potentie is, een mens en aarde verzorgend instrument. Ethiek in de landbouwwetenschappen leidt daarmee tot duurzaamheid: het principe van voorzorg bij uitstek!

Prof. Dr. ir. Eric Goewie


Naar een pluralistische ethiek voor de voedselproductiesystemen en groene ruimte 

Wagenings Alumniblad nr 3 01-10-1998
De Wageningese hoogleraar Eric Goewie stelde in WAB nummer 2 van dit jaar dat ingrijpen in natuurlijk processen soms wel en soms niet is toegestaan. Een nauwkeurig oog voor signalen die de natuur wat dat betreft uitstraalt, kan een richtsnoer leveren voor wat wel of niet acceptabel is. De Wageningse filosoof Michiel Korthals reageert en vindt de christelijk-ethische uitgangspunten niet vruchtbaar.

Waarom is het zo nuttig veel aandacht te besteden aan de ethische kanten van voedselproductiesystemen en groene ruimte? Een antwoord ligt voor de hand: het is goed fout gegaan met landbouw toen men dacht dat omgaan met leven (menselijk, dierlijk, natuurlijk), natuur en milieu puur technisch opgelost kon worden, op basis van traditionele waardepatronen. Die tijd is voorbij: de ethische kanten van voedselproductiesystemen en de groene ruimte staan weer volop in de maatschappelijke belangstelling. Tijdens diverse gelegenheden heeft Cees Veerman, voorzitter van de enorme kennisorganisatie Wageningen Universiteit en Researchcentrum, gewezen op met name deze kanten.

Maar er zijn ook andere, even belangrijke redenen, die echter minder vaak genoemd worden. Een van die redenen is de enorm toegenomen individualisering en pluralisering van levensstijlen, die onmiddellijk consequenties hebben voor het voedsel dat men nuttigt en de manier waarop men van de groene ruimte gebruik maakt. Deze trends impliceren immers dat het tradtionele voedselpakket, zoals dat begin deze eeuw werd aangeboden, in het geheel geen zeggingskracht meer heeft. De moderne massa-individualist wil vrijelijk kunnen kiezen en zelf zijn voedselpakket samenstellen uit een heel breed aanbod. Binnen een paar dagen doet de hedendaagse consument zich tegoed aan pasta, Birmese rijst, teppanyaki en speltjenever.

Schaalvergroting
De steeds meer gerespecteerde consumentensoevereiniteit is moeilijk te rijmen met het beperkte traditioneel Hollandse voedselpakket van vlees, boontjes en aardappelen. Sommige boeren hebben er moeite mee dat sommige consumenten liever Iers lamsvlees willen dan traditionele Nederlandse biefstuk. Ze protesteren: 'De kwaliteit van onze biefstuk is toch uitstekend?' Niemand ontkent dat, maar ze begrijpen eenvoudig niet dat de consumenten meer van het eerste houden en dat zij als producenten daar rekening mee moeten houden. Erkenning van consumentensoevereiniteit impliceert dat men dergelijke keuzes respecteert en er op in speelt.

Een tweede, hier mee verbonden reden is de toegenomen internationale afhankelijkheid van markten en producenten ('globalisering'). Schaalvergroting heeft enorme complexe netwerken van producenten met zich mee gebracht. Intensieve veehouderij is mogelijk door grootscheepse productie van krachtvoer elders in de wereld. Maar ook zoiets als een voor vegetariërs aanvaardbare vorm van kaas is ontwikkeld op basis van DNA-onderzoek in de VS en Engeland.

We moeten deze uitdagingen aannemen en dat kan alleen door een pluralistisch-globaliserend perspectief te accepteren. Dat wil zeggen: deze ethische vragen kunnen alleen vruchtbaar benaderd worden vanuit het besef te leven in een pluralistische wereldsamenleving.

In de betogen die tot nu toe gepubliceerd zijn in het Wageningse Alumniblad mis ik deze pluralistische toon; Jochemsen en Goewie lijken zich er niet van bewust dat hun christelijk perspectief heel beperkt is, want ze wijzen heel strikt allerlei ontwikkelingen af die door veel mensen worden toegejuicht of op zijn minst onder voorwaarden geaccepteerd.

Bredere aanpak
Ik denk dat het niet zinvol is de ethische kwesties rond de moderne landbouw en voedselproductiesystemen uitsluitend te verbinden met problemen rond de behandeling van individuele dieren zoals intensief gehouden varkens of scharrelvarkens. Kwesties als dierenrechten, het gebruik van proefdieren en de intrinsieke waarde van het dier in verband met moderne biotechnologie zijn heel belangrijk, maar dienen in een context geplaatst te worden.

In het kader van ethiek in verband met voedselsystemen en groene ruimte is deze aandacht voor individuele dieren te beperkt. Immers, vanuit deze aandachtsgebieden zou het niet alleen moeten gaan om individuele dieren en mensen, maar om natuur(landschap), milieu (duurzaamheid, toekomstige generaties), rechten van consumenten, ethisch verantwoord ondernemen in een globaliserende economie, risico's en veiligheid in verband met biotechnologie, et cetera.

Ook vanuit de maatschappelijke kant is een veel bredere aanpak nodig. In de huidige wereldsamenlevingen botsen voortdurend ethische opvattingen over voedsel en groene ruimte, en het ziet er niet naar uit dat er ooit consensus komt. Burgers kiezen verschillende levensstijlen, en die leiden tot verschillende voedselpakketten en verschillende benuttingen en waarderingen van de groene ruimte. De vraag is dan niet waarom de zogenaamde normale landbouw zo onder druk staat maar, maar hoe breed en pluralistisch de landbouw dient te zijn. Pluralisme dient een keihard uitgangspunt te zijn en van daaruit moeten de ethische problemen van keuzevrijheid van ondernemers en burgers aan de orde gesteld worden.

Genetische manipulatie
Ook de christelijk-ecologische uitgangspunten van Goewie zijn volgens mij niet vruchtbaar. Onlangs heeft Goewie in dit blad een lans gebroken voor ecologische landbouw en daarnaast de moderne biotechnologie niet integer en ethisch onjuist genoemd. Het is mij onbegrijpelijk waarom Goewie deze twee dingen met elkaar vermengd, want vanuit het hier door mij verdedigde pluralisme kan de ecologische landbouw een belangrijke insteek zijn; maar dat geldt natuurlijk net zo goed voor de moderne biotechnologie. Genetische manipulatie noemt Goewie een voorbeeld van niet integer handelen, en dat lijkt me volslagen uit de lucht gegrepen.

Laten we eerst eens kijken naar enkele prestaties van de moderne biotechnologie tot nu toe. Stremsel van kaas, waar voorheen kalveren voor moesten worden geslacht, wordt nu via genetisch manipulatie geproduceerd. Gene mapping, de genetische classificatie van karakteristieken van planten en dieren (bio-informatica) wordt overal toegepast. Er worden via genetisch gemanipuleerde organismen medicijnen geproduceerd en er zijn niet bij voorbaat goede gronden om die aan de betreffende patiënten te onthouden.

Biotechnologie wordt op grote schaal toegepast en zeker zijn daar vraagtekens bij te zetten, maar deze onjuiste toepassingen zijn niet onlosmakelijk met de moderne biotechnologie verbonden en daarom is er geen reden die biotechnologie als 'niet integer' uit te bannen. De mogelijkheden zijn enorm: genetisch merken stelt ons in staat de samenstelling van stoffen snel te achterhalen, of bepaalde ziekteverwekkende mechanismen te signaleren, en monitoring van stoffen gebeurt reeds via DNA-technieken, zoals bij Listeria monocytegenes.

Weerloos
Voorzover ik kan zien geeft Goewie twee argumenten tegen genetische manipulatie. In de eerste plaats meent hij dat genetische manipulatie leidt tot 'ernstige vormen van niveauverlaging in de omgang met de levende natuur'. Dieren worden behandeld als planten, mensen als dieren. In de tweede plaats houdt genetische manipulatie in dat de cel op 'tegennatuurlijke' wijze wordt beïnvloed, wordt bestuurd. Genetische manipulatie respecteert niet het levensplan en de eigen aard van levende cellen. Hij citeert hierbij veelvuldig Luceberts regel: alles van waarde is weerloos, en stelt dat DNA, planten, dieren, ecosystemen en aarde weerloos zijn.

Tsja, denk ik dan, die kankerverwekkende cellen, parasieten, of die algenplagen: zijn die nu zo weerloos? En die tegennatuurlijke wijze van beïnvloeding van de cel, die juist op basis van een stevig vlies aangeeft even niet gestoord te willen worden? Ik begrijp niets van dit argument. Op alle mogelijke manieren beschermen planten, dieren, mensen en ook cellen zich tegen negatieve invloeden van buitenaf, maar daarmee is toch niet aangegeven hoe mensen ten opzichte van die planten, dieren of mensen moeten handelen, of wat ze eventueel moeten laten? Een eicel beschermt zich goed tegen bevruchting door een zaadcel, maar toch breekt die zaadcel de beschermende lagen open met allerlei hulpmiddelen - en maar goed ook, anders zou er nooit bevruchting ontstaan.

En dat een handeling of activiteit tegennatuurlijk is, is dat een goed argument om die handeling ethisch onverantwoord te vinden? In de negentiende eeuw vonden sommigen suikerbieten tegennatuurlijk en anderen kassen. Wagner heeft over kassen nog een prachtig getoonzet lied gemaakt, Im Treibhaus genaamd, met de regels: Wohl, ich weiss es, arme Pflanze: ein Geschicke teilen wir, ob umstrahlt von Licht und Glanze, unsre Heimat ist nicht hier!

Onenigheid
Wanneer iets tegennatuurlijk zou zijn, is het ethisch nog niet verkeerd. En komt het werkelijk door de biotechnologie dat mensen als dieren behandeld worden en dieren als planten? Als het grote dogma van DNA gelijk zou hebben, dan zouden toch dieren en mensen tegelijk als cellen behandeld worden? Maar iedereen weet zo langzamerhand wel dat het grote dogma niet klopt: DNA is belangrijk, maar zegt niet alles over de latere levensloop. De invloed van moleculaire processen is belangrijk, veel belangrijker dan we vroeger dachten, maar daarmee nog niet doorslaggevend.

Wanneer het een onplezierige boodschap is dat het moleculaire en submoleculaire niveau zo belangrijk is, moeten we het daarom niet onderzoeken? Ik huiver bij dit soort levensbeschouwelijke remmingen op onderzoek, die gebaseerd zijn op achterhaalde noties van wat natuurlijk zou zijn. Levende wezens (en dingen) verdienen respect, maar het is aan de mensen om precies uit te maken volgens welke principes en met name hoe de rivaliserende aanspraken op respect met elkaar te verzoenen zijn.

Het pluralisme dat ik voor sta, gaat uit van rivaliserende aanspraken, van conflicten, en meent niet dat wanneer iedereen nu maar goed na zou denken, allen tot dezelfde opvatting zullen komen. Onenigheid is een groot goed, en het gaat er vooral om een fatsoenlijke manier van omgang te organiseren met die onenigheid. Noties als 'het natuurlijke plan van de schepping', 'de eigen aard of het levensplan van de cel' leggen de oplossing van ethische problemen in de bijbel of de natuur, en maken mensen zo monddood. De omgang met ethische problemen, met rivaliserende aanspraken bijvoorbeeld op levende natuur, dient voortdurend beoefend te worden, omdat we alleen zo ervaring kunnen opdoen met de veelheid van meningen en waarden, waar we gelukkig nooit van af komen. Bovendien stelt de moderne technologie ons voor een groot aantal nieuwe problemen, die niet op de klassieke manier opgelost kunnen worden, bijvoorbeeld via christelijke principes of biologisch-dynamische handboeken. Vandaar mijn pleidooi voor een bredere aanpak. Ik geef een kort overzicht van de kwesties die vanuit het ethisch pluralisme in het vizier komen.

Voedselkeuze
De twee centrale problemen van het Wageningen Universiteit en Researchcentrum zijn voedselproductiesystemen (ketens en ketennetwerken op gebied van voeding) en groene ruimte. Op zichzelf is elk van deze aandachtsgebieden al interessant genoeg.

Ethische aandacht voor voedselproductiesystemen betekent:

a) Aandacht voor de ethiek (welzijn) van gedomesticeerde en half gedomesticeerde dieren. Nog steeds geldt het woord van Thompson dat de ethici nauwelijks oog hebben voor gedomesticeerde dieren; daar komt nog bij - zoals in de door mijn leerstoelgroep Toegepaste filosofie gemaakte NWO-studie 'Goede tijden, slechte tijden' aangegeven is - dat er een hele nieuwe categorie van dieren (en de omgang daarmee) opkomt, namelijk van dieren die betrokken zijn in een proces van dedomesticatie (of beter: dieren die op een andere manier gehouden worden dan landbouwhuisdieren, zoals de grote grazers, de prioritaire soorten et cetera).

b) Aandacht voor de veiligheid en kwaliteit van voedsel. Hier staat het begrip risico centraal, in zijn traditionele betekenis maar ook in de betekenis van pluralistisch gekleurde definities van risico's. Het is aan consumenten/burgers om aan te geven welke risico's ze willen lopen met hun leefstijlen; consumenten/burgers hebben daarom een recht op informed consent.

c) Aandacht voor de rechten van de (pluralistische) consumenten op informatie en op eigen voedselkeuze. De concentratie op ketens heeft het grote voordeel dat de volle aandacht wordt gegeven aan wat Thieu Meulenberg noemt de 'kanteling', dat wil zeggen: de volledige oriëntatie van de productiekolom op de eindgebruiker. Een daadwerkelijke kanteling zou revolutionair zijn: stel je voor dat werkelijk de pluralistische consument de doorslag zou geven!! De keuzes van consumenten zijn overigens volstrekt niet met elkaar in overeenstemming te brengen; verder is een belangrijke consumer concern het recht duidelijkheid te hebben dat een eindproduct voldoet aan de eisen wat betreft de voedselproductieprocessen.

d) Aandacht voor de (product)verantwoordelijkheid binnen ketens en ketennetwerken. De verschillende ketenschakels kunnen hun verantwoordelijkheid voor het eindproduct niet afschuiven: dit vereist goed overleg en duidelijke gedragscodes.

e) Aandacht voor ethisch verantwoord ondernemen in een globaliserende economie. Dit is de nieuwe uitdaging voor business ethics. De voedselindustrie is opgenomen in het internationale netwerk van ondernemingen. Voorbeeld: moet een bedrijf een dependance vestigen in een land waar de plaatselijk voedselproductie wordt vervangen voor wereldmarktoriëntatie?

Zorgplicht
Over de groene en blauwe ruimte, of het rurale gebied, zijn evenzeer ethische vragen te formuleren.

a) Wat zijn de functies van de groene ruimte en hoe moeten de functies van de groene ruimte gestalte krijgen en welke onderlinge verhouding dienen zij aan de nemen. In concreto: wat voor soorten (meervoud!) natuur (zoals: ecologische, biologische, esthetische, recreatieve, et cetera) moeten in een pluralistische samenleving gestalte krijgen, hoe verhouden die natuursoorten zich tot andere functies zoals economische, recreatieve en bewoningsfuncties?

b) Ethische kwesties aangaande de groene ruimte betreffen ook natuur als voorraad van grondstoffen en de duurzame omgang daarmee, dat wil zeggen: de omgang daarmee met het oog op toekomstige generaties en de rechtvaardige verdeling onder de huidige generatie. Duurzaamheid in onze omgang met natuur betekent ook respect voor historische natuurlandschappen, en afweging daarvan met mogelijkerwijs ecologisch verantwoorde natuurontwikkeling. Pas vanuit deze algemene issues kan ingezoomd worden op een mogelijke zorgplicht voor dieren, die echter heel wel ondergeschikt kan zijn aan zorg voor ecosystemen en landschappen.

 Prof. dr Michiel Korthals,
Toegepaste Filosofie (Departement Sociale Wetenschappen)

klv footer

MY KLV
Word lid
Mijn gegevens
Aanmelden


KALENDER
Meer activiteiten...